1Petrus 1,1-12

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Zoals gewoonlijk weet ik niet hoe dat bij u zit maar ik kan mij telkens weer blijven verbazen over die eerste christenen die bereid waren om te lijden – of om zelfs te sterven voor hun geloof.

En dan gaat het niet om een lijden of sterven als gevolg van een gevecht waarbij ze drukdoende zouden zijn om iemand anders een kopje kleiner te maken maar helaas daarbij zelf het onderspit delven. Nee, dat lijden en sterven vloeit eenvoudigweg voort uit een verbod: het was verboden om christen te zijn. Wanneer je werd beschuldigd een christen te zijn en dat tot driemaal toe niet ontkende dan werd je geëxecuteerd.

Als je bereid bent om voor je geloof te sterven dan is dat geloof je blijkbaar je leven waard – daar heb je dan klip en klaar werkelijk alles voor over.

Deze Petrusbrief is zo rond de tweede helft van de eerste eeuw aan christenen onder dergelijke omstandigheden geschreven. Christenen in die tijd werden als buitenstaanders beschouwd niet in de laatste plaats vanwege het feit dat christenen zich afzonderden en niet-deelnamen aan de algemene, religieuze, sociale en maatschappelijke evenementen. Christenen waren vreemdelingen – ongewenste vreemdelingen.

De schrijver van de brief – laten we hem voor het gemak ook maar Petrus noemen – wil met deze brief de lezers een hart onder de riem steken en daar laat hij geen gras over groeien: nadat hij zichzelf heeft voorgesteld in 4 à 5 woorden houdt hij in de tweede zin zijn lezers meteen voor dat de christen bestemd is om Jezus na te volgen – eventueel tot de dood toe.

Christen-zijn – zo zullen we de komende tijd wel vaker ontdekken – heeft wat om het lijf: we zullen de komende weken wel vaker lezen dat er wat van christenen wordt verwacht. Maar dat komt nog wel. Want eerst willen we ons verbazen over de allereerst vermaning in deze brief. Een rare vermaning – namelijk het gebod om blij te zijn, om je te verheugen: wees blij!

En warempel niet omdat alles koek en ei is, omdat de wind vol in de rug blaast – juist niet! « Verheug je – ookal moet je tot je verdriet nog allerlei beproevingen verduren. » Het lijkt wel een onmogelijke spagaat, blij en verdrietig zijn op hetzelfde moment. Ik kan er niets anders van maken dan dat er blijkbaar iets is wat een christen boven het verdriet uit kan tillen, zelfs tot een vreugdevolle hoogte.

Toen ik op dit punt was aangekomen moest ik spontaan denken aan tientallen Jehova’s Getuigen. Ik weet niet meer precies wat het was maar afgelopen week zag ik een documentaire over een concentratiekamp. En daarin werd verteld dat mensen op een zeker moment werden gedwongen om anti-tankwallen te graven. Maar Jehova’s Getuigen zijn principieel pacifistisch en weigerden op grond daarvan die anti-tankwallen te graven. Ik meen dat toen zo’n zestig Jehova’s Getuigen zonder pardon door de SS zijn geëxecuteerd.

Merkwaardig tóch. Wat is er zo waardevol aan dat geloof dat je bereid bent om ervoor te sterven.

Verheug je, wees blij nu – in ‘t midden van het lijden. Hoe kan dat?

Wel, schrijft Petrus, – ik vat het even samen alhoewel het daar niet begrijpelijker van zal worden – omdat God ons opnieuw geboren heeft doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop. En wat is die hoop? Dat is uw redding, de redding van uw ziel staat er letterlijk, uw zielenheil, zo vertaalt Thom Naastepad. En hoe is die redding dan tot stand gekomen? Wel, schrijft Petrus weer, door de liefde: U hebt Christus lief zonder hem ooit gezien te hebben; en zonder hem nu te zien gelooft u in hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde,

Daar hebben we warempel wéér die vreugde! Hoop plus zielenheil plus liefde zijn de ingrediënten voor vreugde, zelfs in ’t midden van het lijden.

Hoop. De grond van de hoop is de opstanding van Christus. En de christenen vertellen elkaar zonder ophouden dat Hij is opgestaan – maar ze zien Hem niet. Wat ze wel zien, overduidelijk, is Zijn lijden: de spot, de hoon, de marteling, de dood toen en daar, van die ene Zoon van God én door de eeuwen heen, tot op de dag van vandaag daar waar mensen, – en dat zijn allemaal kinderen van God – worden bespot en gehoond, gemarteld en gedood. Het lijden van Jezus zien we wel – maar zijn opstanding, de Opgestane zelf zien we niet. Dat staat nog uit, daar wachten we nog op, dat is de hoop die door ons gekoesterd wordt daar geloven we in – vol vreugde.

Wat geloven we nu precies? Wij geloven dat Jezus de weg is gegaan die wij allen te gaan hebben. Dat betekent dat we door het lijden heen moeten, zoals Hij erdoor heen is gegaan. De hoop reikt verder dan hetgeen we zien, reikt verder dan lijden, de hoop is dat het leven de dood te boven komt, dat zij die te neerliggen op zullen staan, ook al zien we dat nog niet – nóg niet – onze hoop is vervat is dat ‘nóg niet’ en is gegrond in Christus Jezus van wie gezegd wordt dat Hij leeft ook al is Hij gestorven.

En dat perspectief zet de wereld op z’n kop. Christenen plukken dat dag – niet omdat zij gedenken te sterven, niet omdat elke dag wel ‘ns de laatste kan blijken te zijn – juist niet: christenen plukken de dag om dat zij gedenken te leven, omdat elke dag de eerste is van de rest van je bestaan dat geen einde kent! Zoals voor een steenrijke geld geen rol speelt, zo speelt voor een christen tijd geen enkele rol.

Zo kan ik ook begrijpen dat die Jehova’s Getuigen vast konden houden aan hun idealen – met de dood hield hun leven niet op, daarom was de dood voor hen geen reden om hun idealen te verloochenen.

Dat is de keuze waar we van tijd tot tijd voor staan: houden we vast aan onze idealen, aan ons perspectief want dat kost soms strijd, vraagt soms offers.

Het is soms verleidelijk om die idealen te laten varen, om je neer leggen bij wat er is, om alle hoop te laten varen, om te ontkennen dat je een christen bent om mee te werken aan wat verdriet doet, aan wat het geluk van een ander breekt.

Het doet me denken aan een gebeurtenis in mijn jeugd. Ik zette als jonge jongen wekelijks de vuilnis aan de straat voor mevrouw Kievit, aan oudere dame. Op een dag keek ik blijkbaar wat sip want zij vroeg wat eraan scheelde. Ik vertelde zoiets als dat ik teleurgesteld was. En zij heeft me toen uitgelegd dat dat het gevolg was van idealen. En zij zei dat zolang ik idealen bleef koesteren ik van tijd tot tijd mijn neus zou stoten – maar als ik geen enkel ideaal meer zou hebben, dat ik dan weliswaar mijn neus niet meer zou stoten maar dat ik dan ook nergens meer voor zou willen vechten. Ik ben het nooit vergeten – een terloopse levensles bij een vuilniszak.

Tenslotte wil ik mij nog graag met u verwonderen over de redding van de ziel – het zielenheil.

Je denkt bij zielenheil al snel aan een hemelse toestand, de redding van de ziel is dan zoiets als dat je in de hemel komt, iets wat in de toekomst voor je is weggelegd, ná je dood. Maar Petrus heeft het niet over iets toekomstig maar over iets in het nu: het einddoel van je geloof heb je al bereikt… het doel van het geloof is namelijk heling, heelwording. Heil maakt heel. Redding van ziel is heelmaking van de ziel – zielenheil is een heelgemaakte ziel. Een heelgemaakte ziel kent geen breuken, geen verdeeldheid, bestaat niet uit meerdere delen, die aan verschillende, tegenstrijdige doelen trouw zijn.

Een heelgemaakte ziel bestaat uit één geheel, kent maar één doel en dat is het liefhebben van God – zonder God ooit gezien te hebben – je hele leven staat in het licht van God. Een heelgemaakte ziel is een één-met-God gemaakte ziel – een christen is van hemelse komaf en dat geeft een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, een ervaring waar je niet meer achter terug kunt – en niet achter terug wilt.

Eenmaal geheeld ben je niet meer stuk te krijgen – ook niet door de dood.

Voor deze Paasdag, voor bij het diner, en voor de komende dagen de volgende vragen:

De Heer is opgestaan! hoe laat u uw leven daardoor beïnvloeden.

Wij hebben God lief zonder Hem ooit gezien te hebben. Volgens Petrus word je daar blij van: wanneer kun je je blijdschap voeden en vergroten?

Wij hebben God lief, omdat God ons eerst heeft liefgehad.

Amen.

(P.S. Ik ben schatplichtig aan G.H. ter Schettet, 'Zachtmoedig leven. Meditaties over de eerste brief van Petrus', Baarn, Ten Have, 1992.)