Deuteronomium 24,17-22; Hebreeën 13,1-6 en Lucas 14,1.7-14

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Tenzij ik me heel sterk vergis, zullen we vandaag niet struikelend van onbegrip over onze lezingen vallen. De strekking is met niet al te veel moeite zo duidelijk.

Dus waarom zullen we er nu toch bij stil staan als het ‘open deur’ gehalte zo groot is? Misschien wel om dezelfde reden als waarom Jezus erover begint – want Jezus vertelde wat dit betreft in zijn tijd ook niets nieuws. In het boek Spreuken, hoofdstuk 25 valt al te lezen « Sier jezelf niet op voor het aanschijn van een koning, – en ga niet staan op de plek van groten; want beter dat men tot je zegt: ‘kom hogerop, hierheen!’, dan dat men je voor het aanschijn van een edele vernedert. » En de profeet Ezechiël houdt het volk al voor dat « het vernederde moet worden verhoogd en wat hoog is moet worden vernederd! ».

Een jaar of geleden was ik in de leer bij Marijke Arendsen Heijn, zij is psychotherapeut. Van haar heb ik geleerd dat elk mens zijn of haar eigen thema’s heeft – iedereen heeft zo z’n eigen vragen en gevoeligheden – en die los je nooit helemaal definitief op. Van tijd tot tijd laten ze zich weer gelden – maar anders. En zij maakte toen een vergelijking met een spiraal, hetzelfde komt steeds weer terug maar op een ander niveau.

Nu vermoed ik dat waar Jezus de vinger bij legt ook zoiets is. We weten het allemaal wel hoe het zit met de eerste en de laatste, de meeste en de minste – maar op een of andere manier verdwijnt die kennis soms weer naar de achtergrond en dan kan het nodig zijn om het weer naar voren te halen, om er opnieuw over te beginnen en om er opnieuw werk van te maken. Niet van voor af aan, alsof we nog helemaal niets geleerd hebben maar op een ander niveau – intenser, bewuster, steviger, bereidwilliger.

Daarom hebben we het er met Jezus weer over – om opnieuw te ontdekken hoe het ook al weer zit.

Jezus zegt aan het einde van z’n gelijkenis dat wie het leven leeft zoals Hij dat beschrijft gelukkig zal zijn.

Wat is dat ‘gelukkig zijn’?

Je hebt soms van die gesprekken waarin ze dat aan je vragen. ‘Ben je gelukkig?’. Meestal wordt dan verwacht dat je ‘ja’ zegt en vervolgens vertelt waarom dat zo is.

Ben je gelukkig – en wat is dat dan precies?

Wat van Jezus inmiddels wel bekend is, dat Hij de boel altijd nét omdraait: zegt iemand ‘de eerste is het gelukkigst’ – of om een beetje bij de tijd te blijven – ‘die goud haalt’ – maar dan zegt Hij, ‘nee, hoor, de laatste is het gelukkigst’. Of zegt iemand ‘degenen die vooraan zitten’ – degenen met aanzien, status, macht, dat soort dingen, díe zijn het gelukkigst – dan zegt Hij, ‘nee, hoor, degenen die achteraan zitten, die geminacht worden, de gemarginaliseerden, die worden zalig geprezen.’

Altijd dwars, onze Jezus – Hij zegt en doet altijd net dat wat we niet verwachten en brengt ons zo uit ons evenwicht – voorkomt bij ons zo een zelftevredenheid, verspert de weg tot zelfgenoegzaamheid als zouden we het allemaal wel weten hoe het met G’d en Zijn hemel zit.

Geluk – wanneer kun je zeggen dat je gelukkig bent?

Onze lezing uit de brieven hebben we gezongen – maar we hebben het niet zo duidelijk kunnen zingen als dat er staat geschreven: « Laat uw leven niet beheersen door geldzucht, neem genoegen met wat u hebt. Hij heeft immers zelf gezegd: ‘Nooit zal ik u afvallen, nooit zal ik u verlaten,’ zodat we vol vertrouwen kunnen zeggen: ‘De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen.’ »

Deze woorden schrijft de Hebreeënschrijver over uit Psalm 118 – en stemt zo in met de gelovigen die hem in alle eeuwen zijn voorgegaan – dat de gelovige het uiterste geluk in G’d vindt.

Wie is de gelukkige? – wie valt er te feliciteren?

Gelukkig is de mens die G’d vertrouwt – al het andere valt in het niet, is bijzaak.

En zijn dat dan ook degenen die door G’d aan tafel worden uitgenodigd, zo vragen de mensen rond Jezus zich af.

Dat blijkt niet de vraag te zijn die tot het goede antwoord leidt. De vraag is niet ‘wie wordt genodigd’ – de vraag is ‘wie nodig jij aan tafel’. Daarmee vervalt ook alle drang om er toch vooral voor te zorgen dat je aan de belangrijkste tafel komt te zitten – ’t liefst helemaal vooraan, bij de voornaamsten en aanzienlijksten.

En let wel, over die mensen gaat het niet – het gaat om het verlangen om daarbij te horen – als zou je dan gelukkig zijn.

Jezus bevrijdt van de niet aflatende drang om naar alsmaar hogere status te zoeken door zijn hoorders voor te houden zichzelf niet als gast te zien – als iemand die eer bewezen wordt – maar hen uit te nodigen om gastvrouw en gastheer te worden – als iemand die eer bewijst.

En Jezus geeft dan een advies wie je het beste uit kunt nodigen. Maar niet alleen Jezus doet dat. Ook de schrijvers van het boek Deuteronomium. En die van de Brief aan de Hebreeën. Eerlijk gezegd zitten alle Bijbelschrijvers wat dit betreft zo’n beetje op dezelfde lijn.

Jezus raadt armen, misvormden, lammen, blinden aan. De Hebreeënschrijver adviseert om de gastvrijheid hoog in het vaandel te dragen – en vraagt speciaal aandacht voor de gevangen. En de Deuteronomist vraagt om toch vooral de weduwen, wezen en vreemdelingen in het oog te houden.

Vreemdelingen. Dat zijn grofweg alle mensen die niet tot ons eigen volk behoren. En om die vreemdelingen is al weer een hele tijd heel wat te doen – ook in ons land.

Er zijn mensen die menen dat kerk en politiek twee gescheiden werelden zijn en dat de kerk zich vooral niet in de politiek moet mengen. Die mensen, laat ik dat maar ‘ns onomwonden zeggen, hebben het faliekant mis – niet alleen de theologie maar ook de geschiedenis bewijst dat.

Door de hele Bijbel heen laat G’d zich kennen als een pleitbezorger, een beschermer van de gemarginaliseerden. Of, om het met niet mis te verstane woorden van de Deuteronomist te zeggen: « Vervloekt is eenieder die de rechten van vreemdelingen schendt. » Of met Leviticus: « Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten – dus als je eigen volk. Heb hen lief als jezelf… » Of, weer met de Deuteronomist: « neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen. »

De reden om vreemdelingen te helpen, is omdat zij niet terug kunnen vallen op familie, verwanten en vrienden. Zij zijn op hun gastheren en gastvrouwen aangewezen.

Maar de belangrijkste, gelovige reden is dat mensen die het goed hebben, hun voorspoed aan G’d te danken hebben – en daarom zullen zij hun welvaart niet alleen delen met degenen die daar om verlegen zijn – G’d verplicht hen daar ook toe. Het helpen van vreemdelingen is niet vrijblijvend of vrijwillig – voor gelovigen is het een religieuze plicht.

Daarom is het ook volstrekt onverenigbaar om je aan deze G’d te verbinden en tegelijkertijd op welke manier dan ook loyaliteit te betonen aan om het even welke politieke visie, leider of partij die de gastvrijheid, de rechten en de hulp aan vreemdelingen onthoudt of schendt.

Weigeren te delen betekent dan ook buitensluiten. En ook die geluiden hoor je vandaag de dag.

Maar wie zo wil kaatsen, kan de bal verwachten – dat hebben we vorige week gezien. Buiten sluiten betekent dan ook zelf buitengesloten worden want G’d kiest partij – Hij is een liefhebber van vreemdelingen, armen en nog zowat van die mensen die moeten leven aan de rand – de onaanzienlijken en de onaanraakbaren, de weerlozen en de machtlozen – en G’d verkiest om met hen aan tafel te zitten.

En dus, zo vermoed ik, zal Hij niet te vinden zijn aan de tafel waar vreemdelingen niet gewenst zijn, niet welkom zijn, niet verwelkomd worden om aan te schuiven en te delen in de overvloed die wij ontvangen uit G’ds hand.

Gelukkig is de mens die op G’d vertrouwt. Hij of zij heeft van geen mens iets te vrezen.

Laat G’ds karakter – dat een en al liefde is – onze houding en ons karakter vormen – dat wij op aarde al leven zoals in de hemel.

Amen.