Efeziërs 3,1-12

Gemeente van Jezus Christus,

Heeft u dat evangelieverhaal van die wijze magiërs uit het oosten al eens eerder gehoord? Tegenwoordig weet je maar nooit waar je aan toe bent – wat dit betreft zelfs ook niet in de kerk. Eén op de drie Nederlanders heeft – zo bleek uit onderzoek – geen flauw idee op welk Bijbelverhaal het christelijk kerstfeest is gebaseerd. Maar als klap op de vuurpijl kwam bij die navraag uit de verf dat gelovigen slechts iets beter scoorden dan ongelovigen. Afijn. Ik ben er maar vanuit gegaan dat u voor de zoveelste keer Matteüs 2 voor hebt horen lezen: het verhaal keert standaard op ieder eerste zondag van het nieuwe jaar terug – tenzij die eerste zondag op 1 januari valt overigens – en dus lijkt het me aardig om vandaag eens wat nader te kijken naar die andere roosterlezing, die uit Efeziërs (3 vers 1-12).

Persoonlijk ben ik erg van die apostolische brieven gecharmeerd, ik ben een Paulus’ fan, maar erover preken is toch nog weer andere koek. Taaie koek zal ik maar zeggen. Maar die taaiheid zal de pret niet deren – integendeel.

In de brief van de Efeziërs gaat het maar over één ding en dat is de eenheid en die eenheid draait op haar beurt ook weer om één ding en dat is Christus. Het lijkt op een mysterieus zinnetje van wijlen professor Van Ruler wat ik maar niet kan vergeten: het draait om Christus, het gaat om G’d. In de Efezebrief wordt ons dit mysterie uit de doeken gedaan. Dat wil zeggen, het wordt je uit de doeken gedaan mits je Paulus – zeggen we maar even voor het gemak – als onthuller, als autoriteit, als apostel erkent.

In een notendop is nu al gezegd waar het in de voorgelezen 12 verzen om te doen is: om de erkenning van Paulus, om het Christus’ mysterie en om de alomvattende eenheid.

Om bij het begin te beginnen: hoe weten we iets van G’d? Je kunt best geloven dat er ‘een god’ is, maar hoe kom je nu iets te weten over die god, op grond waarvan kun je nu uitspraken doen over die god?

Wel, zo zegt Paulus, we weten iets van G’d omdat die G’d zich geopenbaard heeft, zich te kennen heeft gegeven – da’s 1. En, zegt Paulus, die G’d heeft zich geopenbaard aan mij: ik, Paulus, ben door G’d verlicht – da’s 2. En en passant tekent hij daarbij aan dat hij niet de enige is, maar in de rij staat van de andere apostelen en profeten.

Vooraf aan alles gaat de overtuiging dat er een god is en dat die god zich te kennen heeft gegeven – en vervolgens dat die G’d dat heeft gedaan middels profeten en – zo geloven christenen – apostelen. En zij hebben hetgeen hun te verstaan is gegeven op papier gezet – met alles wat daarin ook menselijk is, waaronder ook het menselijk misverstand, ook onzerzijds. Waar het omgaat, is het geloof dat G’ds openbaring haar neerslag heeft gevonden in het geschreven Woord van de heilige Schrift: het is ons begin- en ons ijkpunt, met hoeveel moeilijkheden dat laatste ook is omgeven.

Tom Naastepad geeft op een prachtige manier aan dat de menselijke kennis – en dus ook die van Paulus, die zichzelf overigens een gevangene van Christus Jezus noemt – begrensd is door de verborgenheid van G’d. Die begrenzing duidt niet op onze beperktheid alsof wij niet in staat zouden zijn om G’d te bevatten. Nee, G’ds verborgenheid zit vast op Zijn liefde voor ons – en dat is onze begrensdheid. Wij kunnen G’d niet anders kennen dan als een G’d die ons liefheeft. En als je geen oog hebt voor de liefde, krijg je nooit oog voor G’d en blijft G’d dus verborgen.

Het mysterie van die liefde van G’d voor mensen wordt kenbaar en zichtbaar in Jezus Christus. Hij valt met het mysterie samen, want Hij is Degene die het al met G’d één zal maken. Herschepping, recreatie – mooi woord: geen ‘terug naar af’, de hof van Eden, maar een nieuw begin, een hemels Jeruzalem op aarde waar alle volken met G’d samenwonen. Daarvan hebben we gezongen met lied 518 (gezang 157), op de muziek vooruit: laat ons samen spelen, zingen, dansen, springen voor den Here. En ook in Matteüs 2 komt dat alomvattend aan het licht als de joodse Messias zich laat vereren door heidense magiërs uit het ‘overjordaanse’, uit het buitenland.

Dit te lezen en dit te zingen getuigt van een ‘reeds en nóg niet’, van een ‘in between’, een tussentijds. We zijn op weg naar het feest, maar we zijn er nóg niet – maar gaandeweg worden we meer en meer door het geproclameerde feest bevangen, komen we al in een feeststemming en zingen bij tijd en wijle onze stemmen nu al schor.

De reden voor het feest is het mysterie, is Christus Jezus, de mens geworden liefde van G’d. En het is die goddelijke liefde die alle beperktheden opheft, en alle mogelijkheden opent – waardoor ook wij, niet-joden, de G’d van Abraham, Isaäk en Jakob de onze moge noemen. Het mysterieuze van deze liefde is dat ze onvoorwaardelijk is, ‘genade’,  zo u wil, in ’t Grieks ‘charis’ dat zo mooi op ons ‘gratis’ lijkt. Dat is het dan ook en dat is het wonder van kerst, Pasen en Pinksteren tegelijk.

Efeze 3 is ook een ‘in between’ hoofdstuk, een tussenhoofdstuk en wel tussen het moreel en de moraal. Nu het mysterie – het moreel – door Paulus uit de doeken is gedaan, volgt in de volgende hoofdstukken de moraal. De goede volgorde is overigens altijd deze volgorde: het gaat altijd allereerst om het moreel en dan pas – daaraan gelijk – het tweede, de moraal.

Onstuitbaar is de verbazing dat in Christus er geen eerste- en tweederangs erfgenamen zijn. Nee, alleen zijn mede-erfgenamen, allen zijn leden van één en hetzelfde lichaam, allen zijn deelgenoten van die ene belofte in Christus Jezus. G’d maakt geen onderscheid, voor G’d is iedereen gelijk. Welnu, deze gelijk-waardigheid moet ons er telkens weer aan herinneren en ons er toe aanzetten om de barrières tussen mensen – ongeachte sexe, geaardheid, ras of godsdienst – neer te halen want wij die Christus nabootsen op aarde weten als geen ander dat discriminatie Hem vreemd was. Immers het samenkomen van volken, van alle mensen is het hart van het doel van de christenheid in de wereld.

Het wordt tijd dat wij de muren slechten die nodeloos door ons zijn opgericht. Muren die kerken en hun bewoners scheiden; muren die mensen buitensluiten, buiten onze kerken en buiten onze beschutte huizen.

Het goede moreel kan een foute moraal niet verdragen. Als een foute moraal echter navolging vindt, dan is het moreel van slechte kwaliteit.

Paulus roept ons evenwel op om een leven te leiden dat onze roeping waardig is. En wij zijn geroepen om te wandelen in liefde, zoals ook Christus u en mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgegeven voor ons.

Wij zijn geroepen om Christus na te bootsen op aarde.

Om samen te spelen, te zingen, te dansen en te springen voor G’d.

Zoals in de hemel – nú al op aarde.

Amen.