Exodus 17,1-17; 1Korintiërs 10,1-13 en Johannes 4,5-26

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

« Is de Heer nu in ons midden of niet? »Dat is wat mij betreft vandaag de spannendste vraag. Is G’d hier aanwezig of niet?

Het mooie van deze vraag vind ik misschien wel dat het ernst is. Deze vraag gaat voorbij alle ‘spielerei’ – voorbij een woordenspel of een intellectuele hoogdraverij die de kern, de ziel niet raakt.

Is G’d hier aanwezig of niet? Als G’d hier niet is dan is G’d nergens – en dus staat er iets op het spel – veel meer dan water zou je denken.

Want tenzij ik mij vergis – er is iets vreemd aan de hand met die paar verzen uit Exodus.

De Israëlieten trekken door de woestijn. Ze zijn ontsnapt aan hun onderdrukkers, de Egyptenaren, en onder leiding van Mozes trekken ze door de woestijn naar het land van bevrijding. Maar ze zijn nog amper op weg of de eerste protesten breken uit: het ontbreekt hen aan water. Dat probleem is nog niet opgelost of nieuwe protesten breken uit: het ontbreekt hen aan voedsel. Maar ook nadat dat voedselprobleem is opgelost, breken er opnieuw protesten uit: het ontbreekt hen wéér aan water.

Het is een patroon dat we misschien wel beter herkennen uit de verhalen over Jezus en zijn leerlingen – hoe zij en alle omstanders aan Jezus bleven twijfelen ondanks alle wonderen die zij voor hun ogen zagen gebeuren.

Wonderen wekken klaarblijkelijk geen duurzaam vertrouwen.

U en ik weten dat waarschijnlijk ook wel uit eigen ervaring. Er wordt wel gezegd dat nood leert bidden – maar wanneer de nood eenmaal gelenigd is, is het met het bidden veelal ook snel afgelopen. Een wonder kan daarom ook nooit het belangrijkste zijn – hoezeer de mens er ook om verlegen is. Wonderen zijn opgeefbaar omdat waar het ten diepste omgaat daardoor onaangetast blijft.

Eerlijk gezegd kreeg ik pas door de conclusie oog voor het vreemde van deze verzen: de Israëlieten hadden G’d op de proef gesteld door te vragen« Is de HEER nu in ons midden of niet? »

Nu weet ik niet wat u zo snel in de gauwigheid heeft meegekregen maar ik dacht dat het de Israëlieten om water te doen was – Mozes noemt de plaats toch niet zonder reden ‘Meriba’ wat zoveel als ‘twistwater’ betekent. Maar klaarblijkelijk draait het geruzie wel om water maar gaat het over iets anders. Dat blijkt ook wel uit de weinige woorden die beschrijven hoe en dat er water uit de rotsen wordt geslagen: daar gaat het niet om. Mozes legt eigenlijk al meteen aan het beginzijn vinger op de zere plek door hen voor te houden niet met hem over water te ruziën maar op G’d te vertrouwen.

Maar het volk blijft morren en dus doet Mozes dat wat het volk had moeten doen: hij roept tot G’d. En dan blijkt dat G’d niet – zoals werd gedacht –afwezig te zijn maar aanwezig is. En tenzij ik me weer vergis, luistert dit nauw. G’ds aanwezigheid valt niet samen met die watervoorziening, G’d is geen watergod – G’d was niet alleen aanwezig bij Massa en Meriba, waar het water uit de rots stroomde – maar ook in Refidim waar het kurkdroog was.

De clou is dan ook, denk ik, dat G’d ongeacht de omstandigheden de mensen nabij is – in hun midden is. En dus kan iedereen overal altijd tot G’d roepen.

Als u de lezing uit Johannes een beetje heeft kunnen volgen dan ziet u ongetwijfeld dat het vrij gemakkelijk is om wat gedachtelijntjes uit Exodus naar onze lezing te trekken. Daar is, zo denk ik, niets mis mee zolang we wel oog blijven houden voor de wereld van verschil die er tussen deze twee lezingen bestaat.

Alhoewel het misschien een psychologisering van onze evangelielezing is wil ik de ogen toch niet sluiten voor de wijze waarop er een echte ontmoeting plaatsvindt tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw die zonder naam blijft – haar anonimiteit is tot op de dag van vandaag gewaarborgd.

Jezus heeft lak aan sociale conventies die voorschrijven dat de ene bevolkingsgroep niet met een andere om mag gaan. Hij doorbreekt de grenzen en de vooroordelen die maken dat mensen onbekend en dus vreemdelingen voor elkaar blijven. Zoals onbekend onbemind maakt zo maakt – zo blijkt – bekend bemind.

Als ik Jezus goed begrijp dan zegt Hij toch ook – misschien niet met zoveel woorden – dat G’d overal nabij en dus overal aanspreekbaar is – dat G’ds aanwezigheid niet is voorbehouden aan één speciale plaats, één stad, één land, één volk. Het is toch prachtig, zo vind ik keer op keer, dat G’d alle grenzen overschrijdt. G’d is een G’d van alle mensen – ongeacht ras of nationaliteit – en dus kunnen in Naam van God mensen aan elkaar verbonden worden die anders vervreemd van elkaar zouden blijven.

Wat ook mooi is om uit deze woorden van Jezus op te maken, is dat God niet is voorbehouden aan één land of één volk – G’d is dus een G’d van en voor de hele wereld en alle mensen – en dat G’d ook niet door één land of één volk te claimen is. G’d is een Geest, zegt Jezus, ‘ruach’ die waait waarheen Hij wil – en dus laat G’d zich ook niet vastpinnen – er is geen land of werelddeel dat exclusief aanspraak op God kan maken waardoor anderen buitengesloten kunnen worden.

Tenslotte. Jezus en het levende water.

Even lijkt het erop dat de Samaritaanse denkt dat Jezus stromend water bedoelt. Zodra Jezus dit misverstand bemerkt, gooit Hij het gesprek over een andere boeg waardoor de ogen van de Samaritaanse meer en meer opengaan: ze ziet Hem achtereenvolgens aan voor Jood dan als profeet en tenslotte als Messias.

Maar ik wil met u nog even stil staan bij dat levende water. Jezus zegt op een goed moment tegen de Samaritaanse: «Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven. »

Wat we in Exodus ook al vast hebben gesteld komt ook in deze woorden aan het licht: het water valt niet samen met G’d of Jezus. Jezus is wel degene die in dat water voorziet – Hij is zo gezegd de bron. Dat water is geen doel in zichzelf – het gaat niet om het water zonder meer maar om wat dat water bewerkstelligt – wat de betekenis van dat water is. Dit water betekent leven – écht leven – dat wil zeggen leven dat niet tijd en dus de dood gebonden is.

Ik heb gelezen dat dat levende water staat voor G’ds wijsheid en dat die wijsheid een bron van leven is die je laat ontkomen aan de strikken van de dood – bevrijdt van de doodsangst waardoor je het leven voluit kunt leven.

Het levende water kan ook de Geest beduiden – de Geest die Jezus bezielde – de Geest die levend maakt – de Geest die Jezus belooft, schenkt en uitstort op Zijn navolgers – als water – dat is het water van de doop natuurlijk.

Een groot punt hoeven we van deze twee betekenissen niet te maken immers van ouds zijn de Wijsheid en de Geest van tweeën één – want waar het vandaag en altijd ten diepst om gaat, lieve gemeente van Christus, is de vraag – « Is de Heer nu in ons midden of niet? »

Als Hij dat niet is, dan is alles hier en nu tevergeefs.

Maar als Hij dat wél is – laten wij, u en ik, dan tot Hem roepen, met Hem in gesprek gaan en Hem om water vragen om geen andere reden dan om altijd in Gods nabijheid te verkeren onder alle omstandigheden, altijd – nu en voorbij onze tijd.

« De Vader zoekt mensen die hem aanbidden » zegt Jezus.

De vraag waartoe ik u en mij vandaag wil uitnodigen is om je vandaag ervan bewust te worden dat de Heer in ons midden is – G’d is aanwezig – en wat betekent dat wat doet dat met je?

En durf daarover met elkaar de komende week te praten.

Amen.