Exodus 24,12-18; Filippenzen 3,7-14 en Matteüs 17,1-9

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

De schrijfsels van Paulus zijn in onze tijd niet populair – niet in de laatste plaats omdat Paulus niet makkelijk weg leest. Maar in vergelijking met onze evangelielezing uit Matteüs zijn Paulus’ woorden vandaag eigenlijk een eitje.

In één zin gezegd zegt Paulus dat hij een streep zet onder zijn vroegere levenswandel – dat wil zeggen, een levensweg die bepaald wordt door regels – een leven bestaat uit het zich aan de regels houden. En om aan te dikken hoe dik die streep wel is, zegt hij dat hij hetgeen vroeger van waarde achtte, vandaag als vuilnis beschouwt. Vervolgens zegt hij dat zijn leven nu alleen en geheel om Jezus draait, dat hij er alles voor over heeft om Hem persoonlijk beter te leren kennen – zelfs lijden en sterven – in het volste vertrouwen dat hijzelf ook uit de dood zal opstaan om bij zijn Heer te zijn.

Om zichzelf niet tot een onbereikbare heilige te positioneren, zegt hij nog even dat hij nog niet ‘arrivé’ is, maar het hoogste doel nog najaagt – door te leven in gehoorzaamheid aan Gods roepstem – door te luisteren naar God.

Dit hele stuk is een mooi kapstok om uit te wijden over de christelijk moraal, over de zogenoemde ‘normen en waarden’ een politiek onderwerp waarmee je vandaag de dag goed kunt scoren.

Het is verleidelijk maar het enige wat ik er vandaag over wil zeggen is dit: veel mensen, veel christenen lijken soms niet beter te weten dan dat het geloof samenvalt met die normen en waarden – dat je geen verkeerde dingen doet, of beter: dat je de goede dingen doet.

Ooit vertelde een stervende aan mij: ‘dominee, ik heb nog nooit iets verkeerds gedaan, dus waar zou ik me druk over maken?’. Het christelijk geloof lijkt soms versmald te worden tot het doen, je handen laten wapperen – als je maar goed doet, dan kom je er wel – waar dan ook.

Wel, Paulus zet door die opvatting dus een dikke streep. Ten eerste, omdat hij er al is – het geloof gaat aan al het doen vooraf. En zijn geloof draait om Christus – hij wil Christus van dichtbij leren kennen – en alhoewel hij niet zegt hoe je dat doet ga ik ervanuit dat hij daarmee doelt op een leven dat bepaald wordt door gebed, stilte, meditatie, schriftlezing.

‘De verheerlijking op de berg’ is, wat mij betreft, een lastige, moeilijke en vreemde lezing uit de Schrift. Die hele gebeurtenis op de berg: behalve dat die gebeurtenis op een onbegrijpelijk moment plaatsvindt, is het ook nog de vraag wat wij verder aan dat verhaal hebben – en dan ook nog vandaag, in het leven van alle dag?

De verheerlijking op de berg geeft ons een korte kijkje achter het toneel – en op een zeer merkwaardig tijdstip: op weg naar Jeruzalem – wat voor Jezus de dood betekent. Jezus’ exodus, zijn uittocht, door de woestijn naar het beloofde land. Natuurlijk is in deze woestijntocht deze berg van Jezus dezelfde als destijds die van Mozes vanzelfsprekend! – als je de taal die op die berg gesproken wordt tenminste kunt verstaan en daar zit ‘um vandaag de kneep.

Want de taal die in dat hemels hooggebergte gesproken wordt, is de onze niet, geen woestijntaal – is niet aards, maar hemels.

Dat Mozes en Elia die taal beheersen is logisch: zij verkeren al eeuwen in die sferen. Maar dat Jezus die taal blijkbaar ook beheerst – dat klopt niet!

Petrus, Jakobus en Johannes verstaan het in ieder geval niet, want geen van drieën kunnen ons vertellen waarover Elia, Mozes en Jezus met elkaar gesproken hebben.

Toch mogen we blij zijn met de aanwezigheid van Petrus, Jakobus en Johannes want zij vormen de garantie dat die gebeurtenis daar op die berg ook voor mensenogen bestemd zijn.

Petrus ben ik bovendien erg gaan waarderen doordat ik mijn verlegenheid met deze tekst herken in zijn verlegenheid met de hele situatie dat op de berg: hij weet niet beter hoe erop te reageren dan met het onhandige voorstel te komen om drie tenten te bouwen.

Die tenten werpen trouwens een lijn naar het Loofhuttenfeest: een feest om de tocht door de woestijn van Egypte naar het beloofde land te gedenken. Toen werd er ook gewoond in tenten – onsolide bouwsels die de afhankelijkheid van de mens van de bescherming van God symboliseren.

Die afhankelijkheid is telkens weer iets om te binnen te brengen, te gedenken, reminiscere, de naam van deze zondag, ontleend aan psalm 25 vers 6: ‘Gedenk uw barmhartigheid, Heer’.

Wat daar op die berg gebeurde was geen aards stukje, maar een stukje hemel op aarde – en dat is niet normaal, waardoor het verhaal iets weg krijgt van een sprookje.

Het evangelie – de blijde boodschap – is, dat het geen sprookje is. Het is ook geen dogmatiek – al valt het hele zaakje op allerlei manieren wel dogmatisch dicht te timmeren. De verheerlijking op de berg is echter geen voer voor theologen – maar voor gelovigen.

Wij geloven in het geheim dat er één Mens op deze aarde was in wie het gelaat van de Eeuwige zichtbaar is geworden.

God laat zichzelf niet zien zoals in Exodus – maar Hij laat zichzelf zien door Jezus voor een ogenblik het voorkomen te geven van een figuur die in de hemel thuishoort. Jezus ontleent zijn glans niet aan de Ander – zoals die later in ons Exodusverhaal door Mozes weerspiegeld werd – maar Jezus’ glans komt van binnenuit.

Zijn kleren zijn wit zoals het wit van de kleding en het haar van Degene die op de hemelse troon zit – zoals Daniël zag – en witter dan die van een hemelse bode, zoals Johannes die zag.

De gedaanteverandering van Jezus toont aan de drie mannen op de berg de ware aard van Jezus: Hij is de Mensenzoon – de Christus, de Zoon van de Gezegende – die ze met Gods heerlijkheid bekleed zien.

Waarom?

Ik weet nu slechts nog maar wat te stamelen en daarom zeg ik prof. Hasselaar na: de verheerlijking op de berg – dit voorlopig Pasen – is een eerbewijs omdat Hij alle eer en heerlijkheid heeft willen afleggen.

Anders gezegd – wat dramatischer, maar daarom niet minder waar: Jezus deed afstand van zijn hemelse troon om een kruis te bestijgen – wat vreemd genoeg en onbegrijpelijk weer een troon is.

Zoals eens op de Sinaï de heerlijkheid des Heren als een verterend vuur op de top van de berg verscheen, zo verschijnt diezelfde heerlijkheid des Heren zich later aan een kruis op Golgotha.

Voorwaar – God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob – niet die van wijsgeren en geleerden.

Maar, vroeg Luther, wat gaat ons een verheerlijking van Jezus aan waar wij buiten staan?

Nu zeg ik de grote dichter Willem Barnard na: Jezus wordt bovenaards mooi – een schone jonge god zou men zeggen – als niet tot ons was doorgedrongen, dat het niet om de goddelijke glorie gaat, maar om de transfiguratie – de gedaanteverandering – van het menselijk bestaan, omzetting van tekort in volkomenheid – de gebrokenheid geheeld.

Of, met de hulp van Paulus: Met de gedaanteverandering en troonswisseling van Jezus, verandert de dood in leven, tijd in eeuwigheid. Of, letterlijker: in Christus zal uw tijdelijke dood veranderen in eeuwig leven.

Maar zover is het nog niet. Het leven moet – en bovenal mag voluit geleefd worden – zonder angst, zonder doenigere druk – maar in alle vrijheid en blijheid door te leven in gehoorzaamheid aan God stem.

En wie God wil horen, hore naar zijn Zoon. Sprekend zijn Vader.

Amen.