Ezechiël 34,11-17 en Matteüs 25,31-46

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Vergeleken bij het grote leed stelt het allemaal niks voor maar toch heeft de kerk – laten we het daar maar op houden – in de afgelopen weken telkens wat tikken gekregen. Deze indruk kan natuurlijk ook helemaal aan mij liggen, aan het feit dat ik sinds enkele maanden die wat zurige ochtendkrant weer lees.

Het begon een week of wat geleden met een column van Nelleke Noordervliet waarin ze de katholieken alle hoeken van de kamer liet zien. Daarna dat artikel over Rob Visser, de stadsdominee van Amsterdam, die vindt dat Jezus mensen te veel afschrikt, dat er in de verhalen over Jezus wel iets leuks zit maar dat dat gezeur over Jezus als verlosser en verzoener van hem niet meer hoeft. Vervolgens de artikelen over het kopje onder dopen – ons doopvont zou dan flink uitgediept moeten worden –, de column van Elma Drayer waarin zij Arjan Plaisier de oren wast en gisteren een artikel ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van Harry Kuitert – die wéér een boek heeft geschreven, nu over de vraag waarom het met de kerk zo slecht gaat.

Dat zit ‘um volgens hem in de verkondiging. Gewone mensen vinden zichzelf niet meer terug in het verhaal dat kerken vertellen en waarbij bovendien predikanten – ik – de gelovigen – u – van de vrijheid om zelf te kiezen beroven. Dus. Dan weet u dat.

Terzijde, grappig vind ik wel een beetje dat Kuitert – hij staat nog steeds te boek als predikant in onze kerk – zich klaarblijkelijk niet realiseert dat hij zich daar dan ook schuldig aan moet maken en zich ook niet afvraagt wat hij zelf al dan niet heeft bijgedragen aan de slechte staat waarin de kerk zich volgens hem bevindt – maar allee.

En je verzint het niet, maar na al dit kerknieuws staan er voor vandaag twee lezingen op het rooster die beide iets verhalen over het rechtspreken tussen schapen en bokken en waarin Jezus het heeft over eeuwige bestraffing.

Gisteravond bedacht ik me dat ik Rob Visser had moeten bellen – maar het was al laat – om te vragen wat het leuks in dit verhaal is of dat ik dit verhaal zoals Nico ter Linden voorstelt maar moet beschouwen als fantasie van Matteüs – of misschien kunnen we deze verzen beter maar helemaal overslaan…

Toen ik predikant was in Geleen ging ik eens op huisbezoek bij een echtpaar waarvan de vrouw wel kerklid was maar haar man niet. Hij had een hele hoge functie in de marketing van DSM en hij hield me voor dat hij alles kon verkopen – zelfs mijn geloof waar hij niet in geloofde.

Ik denk dat het een fundamentele vergissing is dat het geloof iets is wat verkocht moet worden. Geloof is geen product waarvan de waarde zich laat afmeten in verkoopcijfers, in omzetstijging of -daling. De waarde van het geloof wordt niet bepaald door succes – in de zin dat je de handen ervoor op elkaar krijgt, dat mensen massaal staan te applaudisseren. Als dat namelijk wel het geval zou zijn dan zijn Ezechiël en Jezus namelijk ontzettende sukkels. Ezechiël had toch op z’n klompen kunnen aanvoelen dat hij geen vrienden zou maken met zijn donderpreken, oordelen en strafgerichten. Wat dit betreft had Jezus dan ook béter kunnen weten, dat zijn vervloekingen en bespiegelingen over het eeuwig vuur zijn populariteit allesbehalve ten goede zou komen – klaarblijkelijk tot op de huidige dag!

Als het geloof iets is zoals liefde én het geloof is iets dat verkocht kan worden, dan maakt dat een predikant tot een pooier of een man van plezier, een beroepsminnaar. U begrijpt, ik houd het maar even bij mijzelf en daarom wat netjes.

Ik denk en geloof dat deze zaken iets anders liggen.

Met het woord ‘herder’ wordt veelal verwezen naar de leiders of de koning van het volk. Nadat Ezechiël in de voorgaande hoofdstukken allerhande mistanden uit de doeken heeft gedaan en de leiders van het volk ondubbelzinnig slechte herders noemt, klinkt aan het begin van het door ons gelezen gedeelte – letterlijk: ‘hier ben ik, ikzelf, ik zal mij om mijn kudde bekommeren en die verzorgen’. G’d identificeert zich met het verdrukte en uitgebuite volk en distantieert zich van hun leiders. De Eeuwige neemt de zorg zelfs zelf van hen over door te zoeken en te verbinden, door te versterken en te waken.

Het laatste vers dat wij gelezen hebben, bungelt een beetje aan ons gedeelte: “Wat jullie betreft, mijn schapen, dit zegt G’d, de HEER: Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken”. Bij monde van Ezechiëlleest G’d dus niet alleen de leiders van het volk de les – zij hebben het volk verwaarloosd omdat zij te druk waren met het goed voor zichzelf zorgen – maar hij leest óók het volk les.

Prachtig overigens dat “Wat jullie betreft… mijn schapen…” Wanneer u verder alles vergeet en dit alleen onthoudt om je erover te verbazen, is het genoeg.

De herders hebben weliswaar hun plicht verzaakt maar dat is geen vrijbrief voor de sterke schapen om over de zwakke schapen heen te walsen. Deze herder zal weiden zoals het moet, zodat aan alle schapen, aan iedereen recht wordt gedaan, zodat de een niet zal leven ten koste van de ander en dat wat er aan gras is gelijkelijk onder alle schapen verdeeld zal worden.

Belangrijk is om even vast te houden dat deze boodschap aan de kudde wordt verteld. Aan het volk. Aan de insiders. Dat geldt namelijk evenzo voor de woorden van Jezus die wij vandaag horen: hij houdt het niet de hele wereld voor maar slechts aan zijn leerlingen, aan de insiders, zijn schapen, zijn kudde.

Dat is belangrijk en wel hierom dat de relatie tussen Hem en zijn leerlingen bij deze toespraak is verondersteld.

Hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken, vreemdelingen huisvesten, armen kleden, zieken en gevangen bezoeken.

Soms hoor je mensen wel ‘ns zeggen dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen want zij hebben nog nooit een mens kwaad gedaan.

Wel, zegt Jezus, dat is mooi maar niet genoeg. Degenen die vervloekt worden, worden dat niet omdat zij iets verkeerds hebben gedaan – maar omdat zij het goede hebben nagelaten. Leven in navolging van Jezus is dus niet iets passiefs, dat je de ander geen kwaad doet – maar iets actiefs, dat je de ander goed doet.

Is dat wat de schapen van de bokken onderscheidt, dat de een goed doet en de ander niet? Geloven zou dan neerkomen op het doen van het goede, het zou dan niets meer zijn de een moraal, een set humane leefregels.

Daarom is het van belang om te herinneren dat de relatie tussen Jezus en zijn leerlingen in deze uitleg van Jezus is verondersteld.

Wanneer je de hongerigen te eten geeft, dorstigen te drinken, vreemdelingen huisvest, armen kleedt, zieken en gevangen bezoekt – dan doe dat alles óók aan mij, zegt Jezus. Zoals de Eeuwige zich in Ezechiël identificeert met verdwaalde, zieke, verzwakte en angstige schapen zo identificeert Jezus zich met degenen die honger en dorst hebben, dakloos en zonder kleren, met de zieken en gevangen.

Met allen die zich met hen identificeren vormen zij het Lichaam van Christus.

G’d liefhebben, zo horen we al in het eerste testament, is onlosmakelijk verbonden met het liefhebben van je naaste. In het tweede testament horen we dat die liefde tot de naaste, liefde tot G’d is. Liefde overstijgt de geboden, overstijgt de moraal. Deze daden zijn niet te volbrengen omdat het moet of omdat het hoort – maar alleen omdat je die naaste, jouw evenmens, liefhebt.

Jezus houdt van armen, vreemdelingen, zieken en gevangenen. Juist omdat wij met Hem in relatie staan, omdat wij Hem navolgen, leven wij vanuit dezelfde drijfveren en met dezelfde overgave, vormen wij met allen die óók door Hem worden bemind, Zijn lichaam – dat is de Kerk in eigenlijke zin.

Het is zo vanzelfsprekend om zó te leven dat christenen zich er niet eens van bewust zijn dat ze Jezus zelf gediend hebben met hun daadwerkelijke liefdesbetoon aan hun naaste. Het is zo vanzelfsprekend dat de keuze om een bok te zijn in plaats van een schaap helemaal geen optie is – met alle gevolgen van dien voor onze ideeën over de hemel of de hel.

Want herinnert u zich nog dat de relatie met Jezus in deze uitleg van Hem is verondersteld. En die relatie kan niet tot iets anders leiden dan tot navolging, kan niet anders dan tot leven leiden, dan dat wij alles wat wij doen voor een van de onaanzienlijksten, wij dat ook voor Hem doen want wij hebben beiden, onlosmakelijk verbonden, lief.

Allee, het laatste over dit alles is nog lang niet gezegd – en dat hoeft ook niet.

Laten wij tot slot deze vraag mee nemen:

Je kunt je laten verlammen door je te realiseren wat je allemaal niet hebt gedaan of niet kunt doen. Maar van ons wordt niet gevraagd waartoe we niet of niet meer in staat zijn.

Bedenk daarom niet wat u niet kunt of gisteren had kunnen doen – maar bedenk waartoe je vandaag en morgen in staat bent.

Versterk je relatie die je met G’d hebt, je bent zijn schaap…

Bedenk dat eens, word je er telkens weer van bewust, kies daar vaste momenten op de dag voor uit en leef vanuit die relatie met de mensen om je heen – en doe wat mogelijk is om hun levensgeluk te vergroten;

Bedenk de komende dagen eens wat je allemaal al doet, zonder dat je het door hebt, of neem je praktische en haalbare dingen voor die kunt gaan doen.

Amen.