Genesis 18,16-23

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Er zijn van die vragen waar je, vermoedelijk, je hele leven over doet om er iets van een antwoord op te verzinnen. Het zijn zogenaamde trage vragen. Of kauwgomvragen. Je blijft ermee bezig en naar je gevoel kom je er nooit helemaal uit. Een vraag, bijvoorbeeld, als ‘wat is de zin van het leven’. Of ‘wat is goed’. In dit rijtje – misschien wel met stip op 1 – hoort ook de vraag ‘wie is G’d’.

Als gelovigen zitten we soms zo met die vraag in onze maag dat we die vraag misschien liever zouden vergeten. En als iemand dan vraagt wat geloven is, dan kan het gebeuren dat in het antwoord op die vraag G’d niet meer wordt genoemd. Geloven kan dan verworden tot – bijvoorbeeld – dat je geen kwaad doet, mensen respecteert en anderen helpt. Het geloof zou dan samengevat kunnen worden, bijvoorbeeld, met de tien geboden.

Toch, de bijbel bevat veel regels maar het is toch ook méér dan een wetboek. En dat méér komt vandaag, denk ik zo, mooi aan het licht in Genesis 18.

Deze verzen die we vandaag hebben gelezen beschrijven twee gesprekken. Een gesprek dat G’d met zichzelf voert. En een gesprek tussen G’d en Abraham.

Dat gesprek van G’d met zichzelf is natuurlijk merkwaardig. De beschrijving wekt welhaast de indruk dat G’d hardop in zichzelf zit te praten. ‘Wat zal ik doen’, vraagt G’d zich af. ‘Zal ik Abraham vertellen wat ik van plan ben of niet?’ G’d wikt en weegt.

Dit beeld hebben we op de vraag wat geloven is als eerste pakken: geloven in een G’d die wikt en weegt. Een G’d die twijfelt, onzeker is.

De doorslag geeft uiteindelijk dat Abraham een groot volk zal voortbrengen. Het heeft haast iets weg van efficiëntie, zo van ‘als ik Abraham dit nu vertel dan hebben al zijn nakomelingen daar ook meteen weet van’ of ‘als ik deze les aan Abraham leer, dan leren zijn nakomelingen dat ook meteen’.

Hier komt G’d tevoorschijn als een G’d die zorgzaam is, die begaan is met het verloop van de geschiedenis, de toekomst.

Abraham zal zijn nakomelingen vertellen van de weg, Abraham zal zijn nakomelingen leren hoe zij de weg van Heer kunnen gaan – en het gaan van die weg betekent dat je rechtvaardig handelt en het goede doet, zoals vreemdelingen gastvrijheid verlenen: de weg leidt tot geluk.

Wanneer je niet op zou letten, zou je zo maar het idee kunnen krijgen dat geloven blijkbaar tóch samenvalt met de goede dingen doen. Toch is dat maar de helft van het verhaal – geen onbelangrijke helft, maar toch slechts de helft. Want die weg is niet zonder meer een weg – maar het is de weg van de Heer. De weg bestaat niet slechts uit allerhande regels en voorschriften, maar die weg kent ook gezelschap, om het zo maar te zeggen. En het is het gezelschap dat maakt dat je die weg gaat – waardoor je, bij wijze van spreken, soms ook ergens komt waar je zelf nooit voor zou hebben gekozen. Het is de relatie die je met G’d hebt die je ertoe aanzet om dingen te doen waar je zelf niet zo 1-2-3 voor zou kiezen. Of zoals Paulus ergens zegt “wat ons drijft is de liefde van Christus” – en dat brengt je ertoe om het goede te doen, ook wanneer je dat zelf misschien niet wilt. Dit is belangrijk.

Het goede doen is natuurlijk mooi – het is de intentie waarmee het goede wordt gedaan wat betekenis geeft of verschil maakt. Het ontbijt dat je in het ziekenhuis wordt gebracht is toch heel iets anders dan het ontbijt dat je op bed krijgt van je geliefde. Het goede dat wordt gedaan is voor de een werk, voor de ander een liefdesuiting. Wereld van verschil.

Geloven is niet dor en doods je houden aan regels en voorschriften.

Geloven is G’d liefhebben en daarom de weg volgen die Hij wijst.

Als geloven niet meer zou zijn dan je houden aan de geboden dan was Abraham nooit voor G’d gaan staan. Alleen omdat Abraham van G’d houdt, omdat zij een verbond met elkaar hebben, omdat Abraham G’d vertrouwt, spreekt hij G’d tégen.

Wij geloven in een G’d die je tegen kunt spreken, met wie je het oneens kunt en mag zijn, tegen wie je kunt protesteren.

Vertrouwd met G’d. De apostel Jacobus omschrijft Abraham als ‘vriend van G’d’. Het onderstreept dat geloven niet zozeer kwestie is van het naleven van regels – geloven betekent dat je iets hebt met die G’d. En daarom doet de vraag ‘wie is G’d’ er ook toe.

Zowel het beeld dat G’d zich tegen laat spreken als het beeld dat G’d bij wijze van spreken zelf gaat kijken, om met eigen ogen te zien of het klopt wat Hij heeft gehoord, brengt G’d dichtbij – misschien wel té dichtbij.

Die nabijheid van G’d is G’d eigen. “Laat Ik toch afdalen”, zegt de Heer. Een G’d die afdaalt. Wij zijn daar misschien zo aan gewend geraakt dat we de ongewoonheid ervan niet meer bemerken. Afdalen voor G’d betekent de Hij zichzelf moet verlagen en dat is voor goden van alle tijden zeer ongewoon. G’d daalt af om de mens de zoeken wanneer die mens Hem blijkbaar niet meer zoekt, de weg niet meer met G’d gaat. G’d blijft dan niet koel en koud boven op zijn hemeltroon zitten vanwaar Hij alles en iedereen op aarde naar de verdoemenis laat gaan, de goeden met de slechten – nee, de G’d waarin wij geloven daalt neder – vernedert zichzelf – om de mens te zoeken: waar ben je, Adammens?

Het laatste waar ik vandaag de vinger bij wil leggen is bij de dappere Abraham. De geleerden zijn er nog steeds niet over uit of G’d nu voor Abraham ging staan of Abraham voor G’d. De plaats vóór iemand is de plaats van een mindere, een dienstknecht. Het is begrijpelijk dat er mensen zijn die er moeite mee hebben om G’d op die plaats, vóór Abraham te zetten, alsof G’d zich als onderschikte van Abraham beschouwt. Sommigen geleerden zeggen dat dát er in het Hebreeuws staat en dat dat later, door degenen die dat niet konden geloven, is gecorrigeerd.

Hoe het ook zij – laat het voor nu in elk geval tot diepe verwondering leiden dat deze G’d zo intens verlangt om met mensen te verkeren dat Hij er niet voor terugdeinst om met hen op gelijke voet te gaan staan.

Persoonlijk vind ik het niet minder moeiteloos dat Abraham dwars voor G’d gaat staan, hij verspert Hem als het ware de weg, om een pleidooi te gaan voeren, of – zoals verderop blijkt – om te onderhandelen. Op het eerste oog lijkt Abraham te zeggen dat het toch niet zo kan zijn dat de goeden onder de kwaden moet lijden. Maar wanneer je doorleest, dan draait hij dat in zekere zin om – namelijk dat de kwaden vanwege de goeden toch niet zullen lijden, ook al zijn die goeden in de minderheid. De aanwezigheid van slechts die enkelen die de weg van de Eeuwige bewandelen voert Abraham als reden aan om alles en iedereen voor onheil te behoeden. Eén mens kan de wereld redden.

Terzijde – er is dus geen reden om ons dood te staren op het aantal dat hier in de kerk zit of op de mensenmenigte – groot of klein – die in G’d geloven.

Eén van de volgende punten zouden we vandaag mee naar huis kunnen nemen, om nog eens op door te kauwen, alleen of in gesprek met een ander:

1. Abraham neemt het op voor degenen die in een bedreigde positie komen te verkeren. Herkennen wij dit? Wie dreigen in onze tijd ten onder te gaan? Hoe voeren wij pleidooi voor hen?

2. In dit verhaal horen we dat zelfs G’d allerhande geruchten niet voor zoete koek aanneemt. Je zou kunnen zeggen dat G’d niemand zomaar napraat, wat er wordt gezegd, papegaait Hij niet zonder meer na. Hoe zit dat bij ons? Doen we het er het zwijgen toe en gaan we op onderzoek uit, dalen we af tot degene over wie allerlei geluiden worden verspreid?

3. G’d verwachtte van Abraham dat hij zijn nakomelingen zou vertellen over de weg de hij met G’d ging, een weg die ertoe leidt om anderen recht te doen. Wat vertellen wij degenen die ons het naaste staan? Hebben we het er überhaupt nog over. Dat vereist soms een hele kunst, een kunst die we van elkaar kunnen leren: we hebben elkaar nodig.

4. Wie is G’d? G’d is degene met wie je vertrouwd kunt zijn. Hoe leven wij ons leven waardoor de vertrouwdheid met G’d toe kan nemen.

Geloven is vertrouwd met G’d leven.

Amen.