Efeziërs 3,1-12

Lieve gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Omwille van de tijd een wat korte preek – en vanwege mijn belofte aan de nieuwe ambtsdragers zal die niet zozeer gaan over de lezingen van vandaag.

Degenen die dat betreuren hoop ik evenwe toch wat tegemoet te komen: ik heb een eerdere preek op 5 januari op internet gezet.

Live is natuurlijk anders maar het is meer dan niks.

Vandaag wil ik graag met u stilstaan bij één vers – of eigenlijk één woord – uit onze lezing uit de brief aan de gemeente in Efeze én bij de gelofte zoals u die kunt lezen in onze orde van dienst.

Het gaat om dit vers:

« opdat nu (…) door middel van de kerk, de veelkleurige wijsheid van God bekend zal worden ».

En het gaat om dit woord: « de kerk ».

Misschien zouden we er beter aan doen om dat hele woordje kerk maar af te schaffenwant het roept zo dikwijls zoveel misverstanden op.

Sommigen denken bij ‘kerk’ aan het gebouw, anderen aan de zondagse kerkdienst en weer anderen aan het instituut, de organisatie.

Maar met ‘de kerk’ wordt vooral iets anders bedoeld.

Dat wordt mooi zichtbaar in het Griekse grondwoordje dat letterlijk zoiets betekent als ‘uit roepen’, zoals je iemand ergens uit kunt roepen, uit een vergadering of uit een klas: je zet iemand dan apart.

Een ander woord voor ‘apart’ is trouwens ‘heilig’.

Mensen worden zo bezien vanuit het alledaagse leven geroepen om samen te komen én om weer terug te gaan om die veelkleurige wijsheid bekend te maken.

De uitleg bij de bloemschikking slaat de spijker precies op de kop:

« “Gaat heen en onderwijst alle volkeren”, dit bevel geldt voor iedereen… »

en dat betekent dus ook dat deze taak niet afgeschoven kan worden op slechts een aantal gemeenteleden.

De kerk zijn dus mensen die uit het alledaagse leven worden samengeroepen om vandaaruit terug te keren naar dat alledaagse leven.

De kerk staat dus wel apart maar staat niet geïsoleerd: kerkmensen trekken zich niet terug uit de wereld, dit gebouw is geen burcht, dit gebouw is veeleer een herberg: een plaats waar je onderweg even op adem kunt komen om vervolgens weer op pad te gaan.

Dit heen en weer zullen we zo dadelijk hier met eigen ogen kunnen zien: straks worden namen uitgeroepen en mensen treden dan vanuit ons midden naar voren: we zetten hen apart.

Maar ook zullen we zien dat mensen die kort daarvoor apart gezet zijn terugkeren in ons midden – in het grotere geheel.

Hiermee wordt allereerst de onlosmakelijke samenhang duidelijk tussen de gehele geloofsgemeenschap en degenen die vandaaruit geroepen zijn.

Ambtsdragers kunnen slechts hun bijzondere taak vervullen wanneer zij daarvoor ook erkenning, steun en bemoediging van de geloofsgemeenschap ontvangen.

Geroepen worden tot een ambt is dus een blijk van vertrouwen: de gemeenschap vertrouwt leden een bijzondere taak toe in de overtuiging dat zij voor die taak geschikt zijn – of, bijbels gesproken: dat zij de van God gegeven talenten of gaven daarvoor hebben ontvangen.

Die samenhang tussen de gehele geloofsgemeenschap en degenen die vandaaruit geroepen zijn betekent óók dat ambtsdragers hun taak vervullen in en voor die gemeenschap: in dit licht moet de belofte om de taak te vervullen overeenkomstig de orde van onze kerk gezien worden.

Het betekent de je belooft dat je je aanspreekbaar op zult stellen, bereid bent om verantwoording af te leggen en zo nodig je je ook laat corrigeren omdat je je taak vervult in en voor de kerk.

Om duidelijk te maken wat dit niet wil zeggen, maak ik even een zijstapje.

Een ambtsdrager is niet hetzelfde als een bestuurder bij een instituut.

Een ambtsdrager is niet iemand die het korter of langer het voor het zeggen heeft omdat hij door een bestuursfunctie een hiërarchische of machtspositie heeft.

Een ambtsdrager is niet hetzelfde als een vrijwilliger bij een vereniging, iemand die – omdat nu eenmaal iemand het moet doen – zo goed is een bepaalde klus op te knappen zolang hij daar anderen een plezier mee doet.

Wat het ambt apart maakt ligt opgesloten in dat merkwaardige zinnetje « Gelooft u dat u in uw verkiezing door deze gemeente door God zelf tot deze dienst bent geroepen ».

Dit zinnetje wil niet zozeer verwoorden dat mensen die uit ons midden worden geroepen daartoe persoonlijk door G’d zijn gevraagd – wat overigens heel best kan – maar verwoordt vooral iets over het eigenaardige van het ambt: het ambt bestaat niet omdat er nu eenmaal iemand moet besturen, iemand moet de knoop doorhakken; het ambt bestaat niet omdat nu eenmaal iemand het moet doen, anders stort alles in elkaar; het ambt verwoordt eerst en vooral dat het gaat om een taak die vervuld wordt omdat Jezus daartoe de opdracht heeft gegeven.

Als we zeggen dat de kerk Christus’ eigen kudde is, dan is het ambt de taak die Christus mensen toevertrouwt om voor zijn kudde zorg te dragen.

Christus is dus bepalend voor de wijze waarop een ambtsdrager haar taak uitvoert en dat betekent niet veel anders dan navolging van Christus.

Navolging van Christus – en dat is niet per se: navolging van het instituut of navolging van wat mensen willen.

Ook deze kant van het ambt wordt zo dadelijk gesymboliseerd: niet alleen worden mensen uit ons midden geroepen zij worden daarmee ook vóór ons geroepen: door vóór te gaan – dat wil zeggen leiding te geven – en daar kan ook een scherpe kant aan zitten: ambtsdragers zijn de gemeente ván dienst niet in dienst van de gemeente, maar in dienst van de Heer – daarom is het ook van belang te geloven dat God zelf de opdrachtgever is van deze dienst om wanneer dat nodig mocht zijn tegenover de gemeente of de wereld te getuigen en desnoods terecht te wijzen, om namens God dat te zeggen wat ze eventueel zelf ook niet willen horen.

Want zij worden óók voor ons geroepen om ons allen te bewaren bij het heil – bij onze droom, het visioen van God – en de kerk doet dat volgens de Lima-verklaring van de Wereldraad van Kerken – door er een voorlopige gestalte van te zijn:

Levend in (…) gemeenschap met God zijn alle leden van de kerk geroepen hun geloof te belijden en rekenschap af te leggen van de hoop die in hen is. Zij moeten meeleven met alle mensen in hun vreugde en hun lijden vanuit hun opdracht in zorgzame liefde getuigenis te geven.

Het is zogezegd aan de ambtsdragers om ons bij deze opdracht scherp te houden.

En dat doen zij – tenslotte – door voor ons uitgeroepen ons toe te rusten voor dit leven van geloof, hoop en liefde – door onze gemeenschap in Christus op te bouwen en onze getuigenis in de wereld te versterken – door ons te inspireren in woorden of met daden overeenkomsten de gaven waarmee de Geest hen heeft toegerust en die wij herkend hebben en nu ook erkennen door hen uit ons midden te roepen tot het ambt.

Hoera!

Lang zullen zij leven in Gods gloria!

Amen.