Jeremia 7,23-28; Romeinen 12,1-8 en Matteüs 17,14-20

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Ik zeg u maar meteen dat ik u vandaag geen echte preek te bieden heb.

Ik reken mij graag tot degenen die van mening zijn dat de bijbel het uitgangspunt of de bron voor de preek is.

Een preek is niet een verhaaltje over het een of ander.

Een preek is ook niet meer wat het vroeger was: een tekstuitleg, woord voor woord, van 45 minuten.

Vandaag de dag is een preek meestal toegespitst op de vraag wat een Bijbeltekst ons vandaag te zeggen heeft.

Het is alweer zes jaar geleden dat ik over precies dezelfde teksten gepreekt heb. Het was m’n eerste preek in Bathmen. Ik zal die preek op het internet zetten zodat u die desgewenst na kunt lezen voor het geval u de inhoud van vandaag wat te karig vindt.

Dat is overigens niet de reden dat ik vandaag geen echte preek in de aanbieding heb. Mocht u denken dat ik over deze teksten uit gepreekt ben, dat is niet het geval. Het mooie en verbazingwekkende van de Bijbel is wel dat er altijd wel weer iets nieuws te ontdekken valt.

De reden voor de uitzondering op de gewoonte – en het zal ook een uitzondering blijven – is iets waarvan ik mij in de afgelopen week bewust werd. Dat wil ik met u delen. Iets wat toch ook wel enige samenhang heeft met onze lezingen, dat wil zeggen: het gaat aan onze lezingen eigenlijk vooraf.

Afgelopen vrijdag heb ik meegedaan een zogenaamde Salk’a dag. Die dagen worden georganiseerd door een oud-docente van mij. Salk’a betekent zoiets als ‘levende vrije energie’. Nu vind ik het niet gemakkelijk om wat daarmee bedoeld wordt in 2 woorden uit de doeken te doen, maar het is een vorm van spiritualiteit die ons in het Westen en in het christendom niet meteen eigen is. Natuurlijk vinden we, u en ik, daar ongetwijfeld wat van – maar daar gaat het om, dat is niet de reden waarom ik u dit vandaag wil vertellen.

Waar ik mij afgelopen vrijdag namelijk van bewust werd is dat de mensen die met zo’n Salk’a dag meedoen naar iets op zoek zijn wat zij in de kerk niet kunnen vinden. En helemaal ongelijk hebben zij daarin niet. Want ik herken niet alleen het verlangen maar ook het gemis.

Als u mij later op enig moment wilt aanvullen dan nodig ik u daar graag toe uit maar vooralsnog houd ik het erop dat wij in de kerk ons geloof vooral ‘denken’. Geloven is vooral een denkactiviteit. U kunt daarbij aan dogma’s denken maar ook aan persoonlijke meningen want soms zijn meningen niets anders dan gecamoufleerde dogma’s. Hoe dat verder ook precies is, voorlopig ga ik ervan uit dat als het om geloven gaat wij in de kerk vooral een beroep doen op ons intellect, op ons verstand, op ons denken.

Nu is het niet alleen dat ik mij erg op m’n gemak voel bij dat denken, het heeft ook in de geschiedenis zo zijn redenen: het verstand heeft de kerk ook voor misverstanden en misstanden behoed.

Maar misschien zijn we hierin wat te ver doorgeschoten. Gevoed door de heersende cultuur, de waardering van de moderne rationele wetenschappen, en – wie zal het zeggen – ook door onze angsten – heeft het geloof als denkactiviteit het geloof als ervaringsbeleving geheel overschaduwd.

Het viel mij namelijk afgelopen vrijdag op hoezeer wij oog hadden voor wat wij voelden, voor onze ervaringen, wat wij beleefden. Het voelen, het ervaren was belangrijker dan het denken.

De geschiedenis – wat zeg ik: de bijbel leert dat gevoelens en ervaringen het christelijke geloof en de kerk helemaal niet vreemd zijn.

Om afgelopen vrijdag een en ander mee te kunnen maken hertaalde ik voor mijzelf soms een en ander. Zo lukt het mij nog niet om de verschillende energieën een plaats te geven – maar mij schoten daarbij wel de woorden Psalm 139 te binnen: “U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij”.

De waarde en de betekenis gaan volstrekt verloren wanneer je die woorden alleen met je verstand probeert te begrijpen. De psalmist verwoordt eerst en vooral hoe hij G’d in zijn leven ervaart: als Iemand die aanwezig is, hij wordt die aanwezigheid gewaar als een nabijheid – iets wat bij wijze van spreken op zijn huid zit – als Iemand die een hand op hem legt. Dat is een ervaring. Geen denkactiviteit, en geen dogmatische uitspraak over het wezen van G’d.

Zes jaar geleden heb ik de lezing uit Jeremia min of meer terzijde geschoven als een donderpreek en Jeremia weggezet als oordeelsprofeet en onheilsprofeet. Ook heb ik toen gezegd dat ik het boek Jeremia maar dicht laat voor de komende tien jaar.

Daarmee heb ik Jeremia en zijn woorden te kort gedaan.

Het toeval wil – wat heet – dat ik in de afgelopen maand spontaan besloot om het boek Jeremia eens te lezen. In hoofdstuk 31 zijn deze woorden te lezen:

« Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg ik Israël lief, het volk dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun vrede. Van ver ben ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb je altijd liefgehad, mijn liefde zal je altijd vergezellen. Ik breng je weer tot bloei. Je zult weer dansen in de rei en de tamboerijnen laten klinken. »

Zonder deze woorden valt het boek Jeremia – zo meen ik – niet te begrijpen. Deze woorden gaan in zekere zin aan alle andere woorden vooraf.

De G’d van Abraham, Izaak en Jacob – de G’d van Sara, Rebbeca en Rachel – van die G’d valt niets te begrijpen of beter: die G’d is niet te ontmoeten als zijn liefde voor mensen niet wordt verstaan, als zijn liefde voor u en mij niet wordt ervaren.

Als je geen oog hebt voor G’ds liefde dan is dit hele boek waanzin – in de meest diepe betekenis van het woord: onbegrijpelijk.

In onze lezingen roepen Jeremia, Paulus en Jezus hun hoorders op om G’d te vertrouwen – om geloof in Hem te hebben.

In G’d geloof hebben is niet hetzelfde als geloven dat iets echt is gebeurd of geloven dat iets waar is. ‘Geloven dat’ is iets anders dan ‘geloven in’. Geloven is geen examen waarop je de goede antwoorden moet geven. Geloven is vertrouwen – geloven is een relatie hebben met G’d.

Als je een relatie hebt met iemand dan ben je ook bereid om te doen wat iemand vraagt. G’d gehoorzamen veronderstelt dat je een relatie met G’d hebt. Zonder die relatie zou geloven bijvoorbeeld kunnen verworden tot de doods en dor naleven van regels en geboden.

Iets doen enkel alleen omdat het moet brengt geen mens tot dansen en tot het maken van feestmuziek. Als je daarentegen iets doet omdat je van de ander houdt – dan is het allerminst raar dat mensen daar blij en gelukkig van worden.

Als wij aan G’d gehoor geven, doen wat G’d van ons vraagt – dan doen wij dat niet zozeer omdat dat moet maar omdat wij weten dat G’d daar blij van wordt. En wat wil je nu liever dan dat degene van wie je houdt blij wordt?

Allee, lieve mensen, ik kom niet voor eerst tot een wat abrupt einde:

G’d is liefde – sta G’d dan ook toe je lief te hebben. Ervaar G’ds liefde en laat je daardoor helen en leiden.

U mag alles wat ik tot nog toegezegd heb vergeten – als u en ik de komende week een paar keer per dag tegen onszelf zeggen:

G’d houdt ongelofelijk veel van mij – wanneer G’d mij ziet, dan is Hij altijd blij mij te zien. En altijd wanneer ik mij tot G’d wend, verschijnt er een glimlach op Zijn gezicht.

Amen.