Jeremia 7,23-28; Romeinen 12,1-8 en Matteüs 17,14-20

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van God,

Ik ben een ietwat direct mens dus draai ik er ook niet omheen: voor wat de preek betreft heb ik het mij vandaag wat gemakkelijk gemaakt. En u daarmee ook eigenlijk.

Dat was in elk geval m’n bedoeling. Dat daar waarschijnlijk niet veel van terecht is gekomen, is een tweede.

Het geval is namelijk dat toen ik een maand of wat geleden de Bijbellezingen bekeek die voor vandaag staan geroosterd, ik daar met vetgedrukte letters ‘Jeremia’ zag staan.

Jeremia, de oordeelsprofeet en onheilsprofeet. ‘Grut’, dacht ik toen, ‘om daar nu de eerste dienst mee te beginnen, da’s ook wat’.

Ik was dan ook blij opgelucht toen Henny Tuut mij vertelde dat een tijd geleden een interview met ds. Mol en ds. Beerthuis in de krant heeft gestaan onder de gitzwarte kop dat donderpreken in Bathmen niet baten.

Wel, concludeer ik maar wat voorzichtigjes, het boek Jeremia laat ik dan maar dicht… de komende tien jaar.

Opgelucht heb ik mij vervolgens op Jezus en Paulus gestort.

Eerst op Jezus natuurlijk. Jezus, de liefde prediker – allesbehalve een Jeremia typ. Aan Jezus kan geen mens zich een buil vallen.

Wel, als het om het stukje gaat dat voor vandaag op het programma staat dan heb ik me daar wat in vergist. Maar om Matteüs de komende tien jaar ook ongelezen te laten dat gaat misschien wat te ver – vooral omdat Marcus en Lucas dit stukje ook hebben opgeschreven.

Dus, wat mij betreft kijken we er gewoon even snel naar om volgens ons heil te beproeven bij Paulus.

Kijk, op zich is dat stukje over Jezus nog niet eens zo heel lastig: Jezus geneest een jongen en dat is natuurlijk hartstikke mooi. De jongen leidt aan epilepsie, aan ‘vallende ziekte’, letterlijk: hij valt in het vuur, in het water met alle risico’s van dien. En zo wordt het leven van die jongen door die ziekte beheerst. Jezus bevrijdt hem van die beheersing, die vijandelijke overname: de genezing maakt dat de knaap weer op eigen benen kan gaan staan en gaan waar hij wil.

Kort gezegd: genezing is opstanding en dat is een bevrijdende ervaring. Nâh, prachtig toch? Dit is op zich al genoeg om de rest van de tijd mee vol te preken.

’t Punt is echter dat de leerlingen van Jezus ook het een en ander hadden geprobeerd en dat het hun niet was gelukt. “Waarom konden wij dat niet?”, vragen ze Jezus. “Wel”, zegt hij, “vanwege jullie kleingeloof”, vanwege jullie tekort aan vertrouwen – want als jullie vertrouwen maar zo groot was als een mosterdzaadje – en dat is een héél erg klein zaadje – dan ben je tot ongehoorde dingen in staat.

Het is nu erg verleidelijk om nu zo’n draai aan dit verhaal te geven dat alle rauwheid volstrekt glad wordt gestreken. De rauwheid is dat wij maar al te goed de ervaring en de vraag van de leerlingen herkennen.

Hoe dat met u zit, weet ik natuurlijk nog niet en los van het feit dat Jezus dat niet zo letterlijk heeft bedoeld, maar toch: persoonlijk heb ik nog nooit zo de behoefte gehad om een berg te verplaatsen. Dat iemand beter zou worden, daar heb ik wel ‘ns om gebeden. Het resultaat van dat gebed moet betekenen dat mijn geloof klaarblijkelijk nog véél kleiner moet zijn dan dat mosterdzaadje. Dat is het lastige, het rauwe, wat mij betreft van dit stukje, of dit nu een feestzondag is of niet, ik kan en wil dat niet ongezien en ongezegd laten.

Maar nu? Hoe nu verder? Is dit het laatste woord? Of valt er toch nog iets te zeggen waardoor die rauwheid minder rauw is dan het schijnt?

Wat mij betreft is er geen sprake van of het een of het ander maar veeleer van het een én het ander. Volgens mij is het de kunst om die rauwheid te laten staan zoals die is, zoals we die ervaren met al onze vragen en ons onbegrip – en om zoals de leerlingen te wachten, dit alles uit te houden tot een moment zich aandoet waarop wij deze vragen aan Jezus kunnen stellen én een antwoord van hem krijgen. Van Hem – u, ik noch iemand anders hoeft voor zijn beurt te spreken. Dat moment komt, God weet wanneer.

Én verder – vérder leren, dóórleren zo u wilt, blijven oefenen in geloven, in vertrouwen, in dat wat je voor ogen staat, je doel, je bestemming, je zin in en van je bestaan.

In dit licht begrijp ik dat als je helemaal gaat voor dat waarin je gelooft, je bergen kunt verzetten, dat je tot veel meer in staat bent dan dat je zelf ooit dacht. Het raakt aan deze zegswijze ‘waar een wil is, is een weg’. De beste illustratie hiervan op dit moment zijn alle gebeurtenissen die plaatsvinden in Noord-Afrika waar de collectieve wil omwentelingen heeft bewerkstelligd die door geen mens op aarde voor mogelijk werd gehouden.

En – en. Én oog voor al dat waartoe wij niet in staat zijn, onmachtig, machteloos met vloeken en tieren moeten toekijken – en alle vragen die daarbij worden opgeroepen en vooralsnog onbeantwoord blijven. Én oog voor al dat waartoe wij wél in staat zijn, machtig als wij zijn – bijna goddelijk – maar waar wij kansen laten liggen door een tekort aan wilskracht, overtuigingskracht, aan geloof en vertrouwen.

En dit zou ons kunnen brengen bij Nelson Mandela en Desmond Tutu en hun ubuntu – maar het kan ons mirakels ook bij die goeie Paulus brengen.

Het stukje is mooi genoeg om woord voor woord langs te lopen – maar dat doen we nu natuurlijk niet. En dus een paar ruwe, grove schetsen.

Paulus roept zijn lezers op om te leven uit één stuk. Dat bedoelt hij met volmaakt. Volmaakt betekent niet perfect. De klemtoon ligt hier meer op de eerste lettergreep, vól – volmaken, volledig, geheel en al. De tegenstelling is dan ook niet volmaakt tegenover onvolmaakt, maar volmaakt tegenover halfslachtig of halfhartig. Zo wordt ook mooi duidelijk dat de aanmaning van Paulus niet betekent dat hij ons op onze… huid geeft maar dat hij ons aanmaant, aanmoedigt: zet úm op, ga ervoor, leef uit een stuk. Zo geloven maakt geloven tot een levenswijze – en dat is veel meer dan een levensleer. Geloven is leven in overeenstemming met een levensdroom, zoals bijvoorbeeld Martin Luther senior én junior deden – geloven in de droom van God, de wil van God en dat bracht wel degelijk wonderen tot stand.

Wat is die droom? Dat wij één zijn. Dat wij niet worden beoordeeld op grond van wat ons van elkaar onderscheidt maar op grond van wat wij met elkaar gemeen hebben. Paulus giet dat in de beeldspraak van een lichaam: wij maken allen deel uit van hetzelfde lichaam, dat is wat ons bindt én ons onlosmakelijk met elkaar verbindt: de een kan niet zonder de ander, zonder dat beide pijn en verdriet daarvan ondervinden. Een hand zonder lichaam kan niet veel uitrichten, net zomin als een lichaam zonder handen dan kan. Paulus slaat op het aambeeld dat je pas mens bent wanneer je deel uitmaakt van een gemeenschap, dat een enkeling pas tot zijn recht komt wanneer hij zichzelf beschouwt als lid van een gemeenschap. Het betekent ook dat als één deel lijdt, het hele lichaam lijdt. Als je deel uitmaakt van een gemeenschap betekent dat ook dat je compassie hebt met anderen, dat je het goed voor hebt met anderen, dat je weet te delen. Zoals handen het hele lichaam verzorgen, zo draagt ieder lid van een gemeenschap zorg voor alle andere leden. Dromen van eenheid betekent dat je je bewust bent deel uit te maken van een groter geheel, een geheel dat alleen kan bestaan dankzij anderen. U voelt ‘um al wel aankomen: ubuntu, ik ben omdat jij er bent, wederzijdse afhankelijkheid.

Dit lijkt een glad verhaal maar dat is het volgens mij niet want het staat haaks op het hedendaags individualisme – maar dat niet alleen: het is niet genoeg als het bij een verhaal, bij een idee, bij een levensleer blijft. “A dream leads to nothing, unless you make it”, (een droom leidt tot niets tenzij je die waar maakt) las ik een paar jaar geleden in iemand hut aan boord van HrMs Evertsen en zo is het maar net.

Daarom zegt Paulus ook ‘wees niet traag’, stel dus niet uit maar wees vurig van geest, geestdriftig en dien zo de Heer.

Hoe? Door lief te hebben. En dat is natuurlijk weer hartstikke soft, ware het niet dat Paulus z’n oproep vergezeld laat gaan door dat rare woordje ‘ongeveinsd’, oprecht, niet hypocriet, geen toneel – en dus waarachtig en metterdaad, zichtbaar.

Als je hart hebt voor de ander dan blijft dat niet alleen bij mooie woorden. Liefde heeft in Paulus’ ogen niets met persoonlijke sympathie te maken, voor iemand die onze liefde waardig zou zijn – nee, liefde wordt veeleer bepaald door het besef dat de ander onze liefde nodig heeft… en andersom.

Liefde kiest dan ook niet tussen verschillende mensen – jij wel, jij niet – want ongeveinsde liefde sluit niemand uit. Liefde geeft eenvoudigweg vorm aan het besef er voor de ander te zijn én andersom want geven is ontvangen en ontvangen is geven. Zo simpel is die droom van God eigenlijk. Elkaar een beetje liefhebben. Ieder dag, in de alledaagsheid van ons bestaan, hier en nu. Maar doe het maar ‘ns.

Als je het gelooft dan is het niet onmogelijk.

Ik geloof in jou omdat jij in mij gelooft. Ik heb je lief omdat jij mij eerst hebt liefgehad. Ik ben, ik ben er omdat jij er bent.

Jij, allerliefste God – Jij, jullie, mijn allerliefste medemens.

Eer aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest, zoals het was in het begin, nu en altijd, tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.