Jesaja 49,1-7; 1Korintiërs 1,1-9 en Matteüs 4,12-22

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Het komende jaar volgt het rooster het Evangelie van Matteüs.

U zult zich nog wel herinneren dat we zo eind december bij de geboorte van Jezus in Bethlehem stil hebben gestaan. Amper geboren moesten zijn ouders met hem naar Egypte vluchten. Later weer thuis in Nazareth voerde zijn levensweg hem naar de Jordaan waar Hij werd gedoopt – om vandaar meteen naar de woestijn te gaan waar Hij werd verzocht. En vandaag treffen wij Hem aan op weg naar Galilea.

Galilea. Wat daarmee vooral gezegd wordt, is wat het niet is. Het is geen Jeruzalem. Jeruzalem is ‘the place to be’ – dat is de stad waar koningen thuishoren, dat is de stad van G’d – de Messias verwacht je in daar, in Jeruzalem en niet – alles behalve dat – in Galilea.

Matteüs heeft daarom wat uit te leggen en citeert daarom de profeet Jesaja.

Galilea. Het land van duisternis. Het land waar niemand oog voor had. Galilea was – zo zouden we het vandaag omschrijven – een multiculturele samenleving. Verschillende volksverhuizingen hadden ertoe geleid dat er een gemixte, een zeer diverse bevolking was ontstaan. Een samenstelling waarop neergekeken werd – in Galilea zaten de ‘ongemanierden’, de niet-geïntegreerden, de outcasts, de verschoppelingen – alles behalve de zogenaamde ‘elite’ want die zat in Jeruzalem.

In onze tijd is er veel te doen over de elite en over degenen, de bevolkingsgroepen, die niet gehoord worden.

Onze lezing van vandaag zet ertoe aan dat Jezus zich bij die laatste groep thuis voelt. Dit beeld past in het totaalbeeld dat we van Jezus hebben namelijk dat Hij iemand is die ontregelt, Hij verstoort bestaande verwachtingen, aan wat normaal is, beantwoordt Hij niet.

Zonder dat ik eropuit ben geweest moet ik nu toch spontaan aan Donald Trump denken. Hij presenteert zich ook een beetje als een Jezusfiguur, een messias – maar er is één heel groot verschil en dat wordt onder meer zichtbaar in het vers 17, een vers dat in een notendop de hele missie van Jezus samenvat: « Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. »

Het Koninkrijk der hemelen is met andere woorden hetzelfde als het Koninkrijk van G’d – maar Matteüs die voor Joodse ogen schreef wilde naar goed gebruik de Godsnaam vermijden – vandaar ‘hemelen’ in plaats van ‘G’d’.

Ik kan maar moeilijk onder woorden brengen hoe prachtig en belangrijk deze woorden in onze tijd zijn.

We dreigen weer in een tijd te komen te leven waarin het patriotisme hoogtij gaat vieren, zonder enige terughoudendheid worden God en Vaderland weer in één adem genoemd. Als u een voorbeeld wilt hebben hoe Gods naam ijdel gebruikt kan worden, – dat heet vloeken – denkt u dan vooral hieraan: wanneer God door een land wordt geclaimd dan wordt niet zelden in Naam van God de grootste ellende teweeggebracht.

Het Koninkrijk van God valt godzijdank niet samen met een natie. Het Koninkrijk van God is dus niet het Koninkrijk der Nederlanden – niet de Verenigde Staten van Amerika of de Russische Federatie. Het Koninkrijk van God omspant de hele wereld, alle volken – en dit is in zichzelf het evangelie, de blijde boodschap: geen mens is op grond van zijn of haar geboorte – op grond van ras of nationaliteit uitgesloten van het Koninkrijk van G’d.

Christenen zijn in de eerste plaats burgers van het Koninkrijk van G’d op grond waarvan er ook sprake kan zijn van eenheid tussen alle mensen. Alle andere zogenoemde nationaliteiten zijn aan het burgerschap van het Koninkrijk van God ondergeschikt.

In deze zin krijgt ook de oproep tot bekering betekenis.

Bekering kun je letterlijk opvatten als een zich daadwerkelijk omkeren, 180 graden de andere kant uit, totaal anders gaan denken, op een hele nieuwe wijze in de wereld staan, met een geheel veranderde gezindheid het leven aanvaarden.

Maar sommige commentaren bepleiten dat bekering veel verder gaat dan een gedachtenverandering, een wijziging van je levensvisie – zij grijpen terug op de oude profeten en begrijpen de oproep tot bekering als een terugkeer tot G’d – om Hem niet langer te weerstaan maar aan Hem gehoor te geven.

En hoe die gehoorzaamheid er concreet uitziet dat vertelt Matteüs door Simon, Andreas, Jockobus en Johannes ten tonele te voeren.

Jezus roept en deze vier laten spontaan alles uit hun handen vallen en volgen Hem achter na.

Achter Hem. Daarmee is gezegd dat zij Hem als rabbi, als leraar erkennen en zichzelf dus ook als leerlingen beschouwen. Voor meer dan voor de aardigheid zou je je eens kunnen vragen of je jezelf als leerling beschouwt.

Zojuist hebben we vastgesteld dat Jezus iemand is die ontregelt – iemand dat alles op z’n kop zet – wel, als iets op z’n kop wordt gezet dan wel het leven van deze vier: zo staan ze nog te vissen en zo verbranden ze alle schepen achter zich op Jezus achterna te volgen.

Natuurlijk zegt dat iets over de klaarblijkelijke impact die Jezus op hen had – en het maakt ook duidelijk dat navolging van Jezus niets met koetjes en kalfjes te maken heeft: navolging is totaal en radicaal, navolging heeft consequenties, het legt geheel en al beslag op een mens.

Christen-zijn wat uit niets blijkt, is onmogelijk. Jezus navolgen en gewoon verder leven zoals altijd is geen optie.

Je lidmaatschap van een kerk kun je desnoods afkopen door je kerkbelasting – zoals dat vroeger heette – te betalen.

Christen-zijn is niet iets wat je kunt afbetalen – dat is iets wat je moet doen, is een manier van leven.

En vaak wordt die christelijke manier van leven ingevuld met zogenoemde christelijke normen en waarden als dat je een ander geen kwaad doet – of positiever geformuleerd – dat je goed bent voor een ander.

Maar als ik vandaag een beetje bottig mag zijn: om goed te doen hoef je niet te geloven, er zijn godzijdank heel veel mensen die iets anders of helemaal niets geloven en toch ontzettend goed zijn voor een ander.

Toen Jezus de vier ontmoette zei Hij niet tegen hen « wees goed voor je naaste » maar « kom achter Mij » en zij volgden Hem.

Het is niet zomaar iemand willekeurig die hen riep en het is ook niet zomaar iemand willekeurig die zij navolgen. Jezus maakt het verschil.

Geloven is niet dat je je aan de regels houdt, geloven valt niet samen met de moraal, met ethiek – geloven is veel meer dan normen en waarden – geloven betekent eerst en vooral dat je een relatie met G’d hebt – dat je jezelf als een leerling van Jezus beschouwt, Hem navolgt en van Hem houdt – want zonder liefde tot God gaat het niet, lukt het nooit om gehoor te geven aan Zijn stem.

Tot slot, navolging is niet iets om in je eentje te doen, geloven is zogezegd geen individuele sport maar een teamsport – vandaar dat er ook mensen opgevist worden – een taak die Jezus op hun en onze schouders legt om gewoon, ordinair zending te bedrijven – want, hoe meer zielen, hoe meer vreugd.

Allee, lieve gemeente van Christus, lees deze verzen de komende dagen nog ‘ns wat door en vraag u zich dan ‘ns af, praat er met elkaar over, u, jij en ik volgen Jezus na – wat belemmert ons in die navolging en hoe kunnen wij die belemmering verhelpen – en wat stimuleert ons – en hoe kunnen wij ons daardoor meer laten stimuleren.

Eer aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Amen.