Job 30,15-26.38,1 en Marcus 4,35-41

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Je hebt van die Bijbelteksten waar je als Bijbelliefhebber je hart helemaal aan op kunt halen. Er vallen dan bijvoorbeeld hoopjes woorden verder uit te pluizen of er kunnen allerhande dwarsverbanden, kriskras door de bijbel worden gelegd. Heerlijk.

Die teksten staan voor vandaag niet op het rooster. Dat komt omdat deze teksten een diepere laag in ons hart, in onze ziel raken.

Vandaag gaat het niet om woordjes of dwarsverbanden. Het gaat ook niet om de vraag of het stillen van de storm door Jezus écht gebeurd is. Wie vandaag alleen vraagt naar echt gebeurd heeft om een of andere reden geen oog voor die diepere laag.

Overigens – maar echt belangrijk is het dus niet – ik houd het erop dat het écht gebeurd is. Voor mij is dat eigenlijk ontzettend simpel. Je bent nu eenmaal G’d of je bent het niet. Een G’d die de zee niet de baas is, is Zijn naam niet waard. Als G’d niet meer kan dan een mens, als G’d niet meer kan dan wat een mens voor mogelijk houdt, waar hebben we het dan nog over.

We raken hiermee volgens mij ook aan een van de redenen waarom Marcus dit verhaal doorvertelt.

Want met alle kennis die je hebt van de Bijbel, als je even denkt aan verhalen waarin de zee een rol speelt – het scheppingsverhaal bijvoorbeeld, of de doortocht door de Rode Zee, of het verhaal van Jona – wie was in al die verhalen heer en meester over de zee?

En dus, als Marcus dan in dit verhaal de vraag opwerpt “wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?” dan is er maar één antwoord mogelijk – dan trapt Marcus daarmee een open deur in. Het antwoord luidt niet ‘een mens’. Denk ik.

Maar de vraag naar wel of niet echt gebeurd en ook de vraag naar wie Jezus is hebben niets om het lijf, zijn volstrekt zinloos als het antwoord – welke antwoord je ook geeft – geen enkel effect heeft in ons leven, op ons bestaan. Het zijn dan slechts loze praatjes.

En als er iemand is die dat vlijmscherp heeft blootgelegd, dan is dat Job.

Jullie kennen het verhaal van Job? Job is het verhaal van de man die eerst al zijn bezittingen verloor, dan al zijn kinderen, vervolgens krijgt hij een vreselijke ziekte, daarna keert zijn vrouw zich tegen hem en tenslotte komen zijn vrienden hem vertellen dat hij al deze ellende aan zichzelf te danken moet hebben.

Nu kun je je afvragen of er over Job wel valt te preken, of je daar wel goed aan doet – wel goed aan kunt doen. Met Job gaat het altijd om grote vragen. En kunnen die vragen wel in 10 minuten recht worden gedaan? Loop je – ik – dan niet het risico veel te makkelijk te praten, het risico meer onheil dan heil aan te richten. Immers, zo blijkt ook uit het verhaal van Job – maar de kerkgeschiedenis kent een overvloed aan voorbeelden – zijn – en worden nog steeds – in Naam van G’d de meeste vreselijke dingen gezegd tegen mensen die door het noodlot worden getroffen.

Wanneer het kwaad mensen treft is een stilzwijgende aanwezigheid soms het beste wat de ene mens een ander te bieden heeft. Dat geldt volgens mij ook voor predikanten.

Job en de leerlingen van Jezus stellen een en dezelfde vraag: ‘waarom help je ons niet?’.

Job staat met zijn vraag en zijn ervaring dichter bij ons, denk ik zo, dan de leerlingen. Want wanneer de leerlingen met hun hulpgeroep Jezus wakker blijken maken – Hij is blijkbaar in staat om dwars door die helse storm heen te slapen – redt Jezus hen meteen uit de nood.

Bij Job ligt dat heel anders. Jobs gebed blijft onverhoord. Hij roept om hulp, maar G’d antwoordt niet. G’d lijkt zich doof te houden. G’d lijkt te slapen – zoals de schrijver van psalm 44 uitroept: “Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak!”

Het contrast met het verhaal van Marcus kan haast niet scherper worden verwoord wanneer Job klaagt met de woorden: “Gij licht mij op, sleurt mij mee op de wind en schudt mij heen en weer in de storm.”

Anders dan de leerlingen ervaart Job geen enkele hulp, de storm wordt niet tot stilte gebracht – integendeel, Jobs ellende wordt alleen maar groter.

Wat jij van dit alles vindt, weet ik natuurlijk niet maar persoonlijk ben ik heel erg blij dat dit verhaal over Job ook in de Bijbel staat. Want het zijn toch niet alleen de ervaringen van gelovigen in het verleden, van anderen maar misschien ook onze eigen geloofservaring dat het bidden, het roepen, zelfs het schreeuwen tot G’d onbeantwoord is gebleven, dat niet hetgeen is gebeurd waar om werd gevraagd, waar om werd gesmeekt.

Zo bezien garandeert geloven geen succesvol leven zonder pijn en verdriet. Geloven betekent niet dat je nooit iets zal overkomen. Geloven betekent niet dat alle ellende als sneeuw voor de zon verdwijnt. Geloven maakt het leven altijd niet tot een groot feest.

Het leven van een gelovige bestaat niet alleen – óók maar niet alleen – uit halleluja, handengeklap, vreugde en blijdschap – maar soms ook uit smeken, huilen, vloeken en het uitroepen van de vraag ‘mijn G’d, hebt u mij soms verlaten?’.

Als het kwaad mensen treft dan komt het vooral voor gelovigen eropaan om niet voor hun beurt te spreken – maar om te wachten.

Dat is dus wat die vrienden van Job niet doen. Die praten honderd uit over over G’d dit, en over G’d zus, over G’ds bedoeling hier en het waarom van het lijden daar.

Een paar weken geleden las ik een interview met Jan Pieter Roubos. Hij is psychiater, christen, ik heb een paar weken met hem op zee gevaren. En hij zegt dat in de kerk altijd wordt gesproken over geloof, hoop en liefde, met de laatste als de meeste. Maar dat hij, als psychiater, altijd in de eerste plaats aan hoop denkt.

Toevallig of niet, ik moest eraan denken toen is gisteren een interview las met Jules Tielens, ook hij is psychiater. En hij zegt op een goed moment “Hoop geven is een essentieel onderdeel van psychiatrie”.

Wat mij betreft is dat eerste vers uit hoofdstuk 38 een deel van de hoop: “En de Heer antwoordde vanuit een storm”.

Dat de Heer antwoord zal geven is dé reden om niet voor je beurt te praten: de Heer zal antwoord geven – dus dat hoeven wij niet te doen.

De Heer zal antwoord geven. Daar mag je naar uit zien. Daar kun je intens op hopen. Maar hopen betekent dat iets er nog niet is – dat het nog niet zo ver is. Hopen betekent dan ook wachten. Het uithouden. Verduren. Wachten. Soms ontzettend lang wachten.

En bidden. Dat hoeft, zoals Job laat horen, niet per se vroom zoetsappig te zijn. Als liefde betekent dat je elkaar écht serieus neemt, als liefde betekent dat je niet tegen elkaar liegt – dan betekent het liefhebben van G’d ook dat je tegen G’d zegt wat er echt in je omgaat, hoe hard die woorden ook zijn – want, merk op dat G’d nooit kwaad is geworden over Jobs scherpe en harde klachten aan Gods adres.

Onze hoop is dat onze vragen niet onbeantwoord zullen blijven. Onze hoop is dat G’d antwoord zal geven. Ooit. Die hoop maakt de moeite van het wachten waard.

Dietrich Bonhoeffer schreef ergens halverwege de vorige eeuw dat het de taak van christenen is om in deze tijd – en volgens mij is dat nog steeds déze tijd – te bidden, te wachten en het goede te doen.

Nu gaat ons het goede doen vaak het gemakkelijkste af. Maar houd je het wachten nog vol – of denkt je er soms over om het gelovige boeltje erbij neer te gooien? Zo raar is dat niet hoor.

En bidden? Zijn G’d en jij goede bekenden van elkaar of halve vreemden?

Durf het hierover met elkaar te hebben, straks bij de koffie.

Amen.