Lucas 2,1-20

Mijn verhaal voor deze kerst bestaat uit twee delen dat vertel ik u maar meteen.

Het eerste deel vertel ik u vanavond, het tweede deel morgenochtend.

Ik hoop in dit verhaal twee lijnen bij elkaar te brengen. De eerste en belangrijkste lijn loopt parallel aan het leven, het leven van elk mens. Het zijn de belangrijkste vragen van het leven, de levensvragen – de zogenaamde trage vragen. Je doet je hele leven erover om er antwoorden op te vinden, als dat al lukt.

De tweede lijn is de kerstlijn of het kerstmoment. En nu we hier toch zijn, wil ik daar maar mee beginnen.

Eigenlijk doet het er niet toe of we nu het verhaal lezen van de herders of de wijzen – u kent die verhalen wel – want hun reacties zijn min of meer gelijk: op een goed moment lopen die lieden die stal binnen, staren in die voederbak, zien daar een blakende baby liggen en gaan vervolgens dermate uit hun dak dat 2000 jaar later daarover wereldwijd nog steeds gesproken wordt. En dat geeft te denken.

Wat was er aan baby Jezus te zien wat aan andere baby’s klaarblijkelijk niet valt af te lezen – want er is geen andere baby waar zo’n drukte over wordt gemaakt. Wat maakte dat die herders gaan loven en prijzen? Wat bracht die wijzen ertoe om die baby te aanbidden?

Wat is dat eigenlijk ‘aanbidden’, hoe doe je dat? Apart toch, dat een mens al tientallen jaren kerst kan vieren maar geen idee heeft hoe je zoiets doet als ‘Jezus aanbidden’.

Om een lang verhaal kort te maken, het komt in grote lijn neer op de vraag ‘wat maakt dat Jezus ertoe doet’? En het antwoord op die vraag zal er ook toe moeten doen. Anders maken we ons nu druk om niks. Dan hadden we nu net zo goed naar de film over de ontvoering van Heineken kunnen kijken.

Wat er in ons leven écht toe doet, heeft linksom of rechtsom van doen met onze levensvragen.

Wat die levensvragen zijn, wil ik vanavond als volgt illustreren – alhoewel het hier misschien iets weg heeft van vloeken in de kerk: ik houd meer van kaas dan van vlees. Voor een goede kaasfondue kom ik bij wijze van spreken m’n bed uit. Ik overdrijf maar een heel klein beetje als ik zeg dat ik van kaasfonduen kan dromen. Nu komt zo’n kaasdroom niet kant-en-klaar uit de hemel vallen. Daar heb nog wat meer voor nodig en je moet er ook wat voor doen. Maar daar ben je er nog niet mee: de handel moet ook nog warm gemaakt worden én warm gehouden worden: spiritus.

Vanavond wil ik met u hebben over de kaas, morgen over de spiritus Over het pannetje en toebehoren hebben we het al vaak genoeg gehad – dat weten we zo langzamerhand wel: dat is het verhaal dat je goed en lief bent voor elkaar, en behulpzaam bent voor een ieder die om hulp verlegen zit, in vrede met elkaar samenleeft – u kent het wel. Dat pannetje is niet onbelangrijk– zo is het ook weer niet. Maar als je geen idee hebt waarvoor je het pannetje kunt gebruiken, wat je ermee kunt doen wat je ermee kunt bereiken en vooral waarvoor je het doet dan verdwijnt de pannetje vroeg of laat achter in de kast.

Afijn. Kaas.

Als we het over de kaas hebben, dan gaat het om wat Jezus zegt over de mens. En als we het over de spiritus hebben, dan gaat het om wat Jezus zegt over God – of over Die die geen mens is, Die die boven de mens uitstijgt – te boven gaat.

Kaas. Kaas staat vanavond symbool voor uw dromen, waar u voor gaat. Kaas staat vanavond voor datgene wat richting geeft in uw leven. Deze kaas staat voor dat wat uw leven de moeite waard maakt, het is een droom waarvoor u bereid bent u in te zetten – waar u voor wilt vechten.

Nu wil het geval dat er hoopjes dromen zijn. Zondagavond was hier een kerstconcert. Een van de artiesten vertelde toevallig óók dat we allemaal dromen – we dromen van een witte kerst, zei hij – en toen zongen ze dat bekende “I am dreaming of a white Christmas” – prachtig lied, u kent het wel. Maar daardoor vroeg ik me ook spontaan af of alle dromen even waardevol zijn.

Maakt het uit of je droomt over een witte kerst – of dat je droomt over wereldvrede; maakt het uit of je levensdroom het winnen van de postcodeloterij is of dat je ervan droomt dat er geen armoede meer is op aarde; maakt het uit of je levensdroom is dat je wereld vrij is van joden of van zwarten of van moslims – of dat je ervan droomt dat alle mensen op aarde elkaar als familieleden behandelen, als broers en zussen, mensen in afhankelijkheid van elkaar leven en juist daardoor verantwoordelijkheid voor elkaar aanvaarden. Volgens Desmond Tutu – die aartsbisschop en een van de beste vrienden van Nelson Mandela, u kent hem wel – is dit waar God van droomt, we lazen dat ook in Jesaja. ‘I have a dream’, zegt God – en voor u het zich afvraagt: God spreekt naast Hebreeuws, Nederlands en Arabisch óók Engels – ‘I have a dream’, dat mijn kinderen zullen weten dat ze leden zijn van één gezin, de menselijke familie, de familie van God, mijn familie.

Waar droomt u van?

Ik heb ernaar gezocht maar niet gevonden – een boekje. In het voorjaar van 2010 was ik gestrand op een Caraïbisch eiland – als vlootpredikant kom je nog ‘ns ergens. Om de tijd te doden ging ik in een miniwinkeltje op het vliegveld op zoek naar een boek. M’n oog viel toen op de titel ‘The Monk who sold his Ferrari’ – de monnik die zijn Ferrari verkocht. Dat boek begint met het verhaal van een succesvol advocaat, iemand die op jaarbasis meer dan 10 miljoen verdient. Op een dag krijgt die beste man echter een hartaanval, hij ligt op het randje van de dood. Wanneer hij weer wat op veilige afstand van dat randje is beland, wordt hij zich bewust van het leven dat hij heeft geleefd en realiseert hij zich dat hij een leven heeft geleefd waar hij vroeger nooit van heeft gedroomd.

Maak jij je dromen nog waar of ben je dromen gaandeweg kwijtgeraakt, ben je ze vergeten en ben je daardoor nu overgeleverd aan de sleur van alle dag. Als je geen dromen meer hebt, verwacht je dan eigenlijk nog wel iets van het leven, is er dan nog wel iets waar je moeite voor wilt doen, waarvoor je wilt vechten, waarvoor je alles op zou willen geven?

Ik denk dat ik weet waarom die wijzen en die herders uit hun dank gingen, waarom ze loofden en aanbaden. Want toen zij in de kribbe keken, zagen zij waar Jezus van droomde. En dat hadden ze nooit verwacht – ze hadden nooit verwacht dat dat Jezus’ droom was. Ze hadden helemaal nooit en nooit kunnen bedenken dat Jezus hiervan zou dromen, dat Jezus voor deze droom alles – zijn hemel, zijn leven – op zou willen geven.

Beetje raar misschien, maar toch. Ik kan het u zelfs nog sterker vertellen: ik denk dat ik weet wat die wijzen en die herders hebben gezien. Nog sterker: ik heb het met eigen ogen gezien. Wat ik heb gezien, heb ik meegenomen. Ik vind het wel spannend – omdat ik een beetje bang ben dat u het raar zult vinden. Wat ik heb gezien, kan ik u wel beschrijven maar daar heeft u niets aan: waar Jezus van droomt, zult u het met uw eigen ogen moeten zien.

Ik heb bedacht hoe ik het u het gemakkelijkste kan tonen – ik laat het u gewoon zien… [een spiegel].

Zie u het – ziet u wat Jezus van droomde, wat de herders en de wijzen versteld deed staan, zo versteld dat zij uit hun dak gingen.

Jezus droomt niet zomaar wat van alle mensen – Hij droomt van mensen met een naam en een gezicht, Hij droomt van u, hij droomt van mij –

Als u ziet waar Jezus van droomde, haal dan niet onverschillig uw schouders daarover op – alsof dat wat u ziet er niet toe doet. Bedenk en ervaar dat Jezus’ droom de enige reden is waarom Hij op aarde kwam – omdat Jezus dát droomde – juist dát – de reden is waarom wij kerst vieren – Hem prijzen, loven en aanbidden – wat dat ook is.

En voor God is er niets belangrijker dan dat waar Jezus van droomde.

En dat ben jij.

Kom, mensen, verwondert u hierover en zie, hoe God jou, jou, jou, jou, jou bemint.

Eer aan G’d in de hoge, en vrede op aarde voor alle mensen omdat G’d een zwak voor hen heeft. Amen.