Marcus 14,1-11

Gemente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Deze zondag wordt min of meer verscheurd tussen twee uitersten.

Symbolisch komt dat tot uitdrukking in twee kleuren: de dag kleurt in het begin rood – maar naarmate de tijd verstrijkt, kleurt de dag meer en meer paars.

Roodpuper is onder andere in de Oude Testament de traditionele koningskleur omdat deze kleurstof destijds zeer kostbaar was. Niet voor niets is menig koningsmantel van rood fluweel – ook die van Nederlandse koning.

Vandaar dat op deze dag rood symbool staat voor het koningschap vanwege de juichkreten die traditioneel aan het begin van deze zondag klinken “Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer” – woorden waarmee Jezus als een vorst in het midden van mensen wordt onthaald – woorden die naarmate Jezus langer onder ons is gewijzigd worden in ‘kruisig Hem’ – deze dag eindigt dan ook vanouds met het lijdensverhaal volgens Matteüs – Bachs Matthäuspassion is dan ook op deze dag en op geen andere dag gedacht – waardoor als vanzelf de kleur van rood naar paars verschoven is – de kleur van lijden en van dood.

Wij zullen in deze dienst langzaam maar zeker dan ook van kleur verschieten.

Vandaag schieten evenwel niet alleen de kleuren heen en weer.

Het lijdensverhaal begint er eigenlijk mee dat we Jezus met zijn gevolg steeds heen en weer zien gaan van Bethanië naar Jeruzalem en weer terug.

Jezus komt van Bethanië wanneer Hij als een koning bejubeld Jeruzalem binnen komt gereden – en hij gaat ’s avonds naar Bethanië weer terug. Om de volgende ochtend weer naar Jeruzalem te gaan om de tempel schoon te vegen en hij gaat ’s avonds weer naar Bethanië terug. Wat Marcus ons vandaag vertelt, speelt zich de volgende ochtend af – voordat Hij – dit keer voorlopig voor de laatste keer – weer naar Jeruzalem zal gaan.

Maar voordat wij in de komende week daarbij stil zullen staan worden wij voor het zover is eerst nog ‘ns heen en weer geslingerd – vandaag tussen mensen die Jezus kwaadgezind zijn – de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Jezus goedgezind zijn – de vrouw zonder naam en dan weer kwaadgezind zijn – Judas Iskariot.

De slinger slaat meer en meer door naar de donkere kant, je voelt de spanning en de dreiging toenemen – en te midden van die verschuiving van ‘heden hosanna’ naar ‘morgen kruisigt Hem’ verschijnt uit het niets een vrouw. Ze krijgt geen stem. Ze krijgt geen naam. Ze is daar gewoon – dat wil zeggen: wat ze kán, dat doet ze – wat ze doet, doet ze maximaal – ze gaat daarin tot het uiterste, radicaal, oningehouden, mateloos.

Wanneer je je daar niet over kunt verbazen dan heeft verder lezen in de bijbel niet bijster veel zin.

Deze vrouw doet iets, wat niemand anders doet. Sterker, wat ze doet wordt door geen van de omstanders begrepen – sterker, ze roept met wat ze doet ergernis op. En hoe kan dat nou? Wat ziet deze vrouw in Jezus dat door iedereen over het hoofd wordt gezien?

Mensen die het Oude Testament kunnen dromen zullen ongetwijfeld moeten denken aan de manier waarop Samuël Saul tot koning zalfde: dat deed hij namelijk precies zo, Samuël goot een kruikje olie uit over Sauls hoofd. Misschien verkeerde deze vrouw nog wat in de roes van wat eerder was gebeurd, die dag waarop Jezus als een koning te midden van mensen was gekomen en ontvangen.

Herkende de vrouw Jezus als koning, zou dat het zijn? Was dat het wat zij als geen ander zag? Misschien. Misschien ook niet, want juist die dag was al zoveel eerder koningsrood gekleurd.

Jezus zelf duidt de zalving door de vrouw niet als een bekroning van wat Hij al lang en breed was – maar eerder van dat wat hij nog zou worden: een dode –

en dat was nog door geen mens onderkend, ook niet door degenen die hem het meest na stonden – al was het hen zelfs door Jezus gezegd – ze hadden het niet begrepen.

Deze vrouw durft klaarblijkelijk onder ogen te zien wat anderen niet durven te geloven – of misschien niet kunnen geloven.

Als Jezus dat wat de vrouw heeft gedaan heeft geduid zegt Hij vervolgens iets merkwaardigs – namelijk dat wat zij gedaan heeft onlosmakelijk verbonden is aan het evangelie – waar ook dat evangelie doorverteld zal worden daar zal ook aan haar worden gedacht vanwege hetgeen zij heeft gedaan.

Raar.

Want aan wie moeten we dan denken als Jezus haar geen naam geeft – als niet wordt gezegd wie zij is? Blijkbaar is dat het niet waarom wij ons dienen te bekommeren – dat is, zogezegd, de clou niet. Maar wat dan wel? Op het spoor gezet door professor Cees den Heyer ligt de clou misschien niet besloten in een enkel persoon met naam en toenaam maar representeert deze vrouw veeleer een groep – een gemeenschap van mensen die in Jezus herkennen want anderen niet durven of willen geloven.

Mensen die het Oude Testament kunnen dromen zullen volgens Den Heyer bij wat de vrouw doet en Jezus doet ongetwijfeld moeten denken aan Psalm 41. In die psalm wordt bezongen dat wie acht slaat op de geringe geprezen zal worden op aarde… De geringe – dat is Jezus, dat is arme, de lijdende rechtvaardige die gedoemd is te sterven. De vrouw is degene die geprezen wordt omdat zij acht slaat op de armen, degenen die onrecht lijden, op zieken en stervenden.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de idee kom dat deze verzen Marcus’ versie zijn van hetgeen door Matteüs in het Jezus’ woord is omschreven als “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”

Maar nu is er nog minstens één ding wat bijzonder raar is aan wat deze vrouw deed. Want dat je iemand zalft die de dood te wachten staat is tot daaraan toe – maar om daar nu een fles nardusolie ter waarde van een heel jaarsalaris aan te besteden – om niet te zeggen: te verkwisten, is toch heel iets anders.

In navolging van de rabbijnen leert Jezus dat je hier op twee manieren naar kunt kijken.

De rabbijnse theologie kent twee vormen van goede daden, namelijk daden van genade of barmhartigheid en daden van gerechtigheid.

Het geven van aalmoezen, het geven van geld aan de armen was en is vreemd genoeg geen daad van barmhartigheid, maar een daad van rechtvaardigheid. Het helpen van armen is niet het verlenen van een gunst, maar herstellen van het recht. Blijkbaar heeft armoede iets te doen met onrechtvaardigheid, met ongerechtigheid.

De daad van de vrouw is echter geen daad van rechtvaardigheid maar een van barmhartigheid, van liefde. En het is vanwege deze liefdesintentie dat een daad van barmhartigheid hoger werd gewaardeerd dan een daad van gerechtigheid.

Wat de vrouw doet, doet ze dan ook niet omdat het moet maar omdat ze bewogen is met de Mens die de dood tegemoet gaat – ze is met Hem begaan, ze geeft om Hem, heeft Hem lief.

Niet omdat het moet maar omdat ze Hem liefheeft kon ze ook doen wat ze heeft gedaan – echte liefde maalt niet om geld maar doet wat ze kan. Liefde laat zich niet calculeren, laat zich niet verstaan als een kostenbaten analyse – wie dat wel doet, weet niet wat liefde is.

Zij heeft gedaan wat zij kon. Niet omdat het moet maar omdat ze liefheeft. En liefde kent geen dwang daarom kan het je ook nooit benauwen als je vanuit liefde doet wat je kunt.

Wat ziet deze vrouw in Jezus dat door anderen over het hoofd wordt gezien? De vrouw ziet in Jezus iemand om van te houden. Daarom – om geen andere reden – doet zij voor hem wat zij kan.

De vragen die ik mijzelf voor wil leggen en welke ik met u wil delen zijn deze:

Wat doe ik zo in het leven van alle dag wat ik kán doen – (want wat ik niet kán doen, is niet interessant) – niet omdat het moet maar omdat ik de ander – G’d in het bijzonder – liefheb.

En hoe kan ik eventueel hier meer oog of aandacht voor krijgen – niet omdat het moet maar omdat ik liefheb.

Tenslotte wil ik stilstaan bij de vraag of ik Jezus liefheb zoals Hij zich aan mij voordoet – misschien niet als het ideaaltype dat door mij wordt gekoesterd of gewenst – maar vandaag als iemand die sterven moet.

En zo, ongemerkt, vermengt de kleur van de liefde zich met de kleur van dood.

Kijk. Mannen praten over Jezus en geld, alle liefde is daarbij uitgesloten.

En zo is de kleur van rood naar paars verschoven.

Amen.