Matteüs 11,2-11

Vandaag is het zondag Gaudete.

Toen ik me dat bedacht, moest ik meteen aan iets anders denken.

Een week of wat geleden was er in Wierden een Missionaire Ronde. Dat is een activiteit van de landelijke kerk. Dit was alweer de derde ronde. De landelijke kerk slaat namelijk enthousiast op die missionaire trommel. Vroeger noemde we ‘missionair’ gewoon zending. Of evangelisatie. Maar voor die woorden zijn we wat allergisch geworden. Vandaar het woord missionair: er is bijna niemand die precíes weet wat het betekent.

Hoe dan ook. Deze derde keer stond de eredienst centraal. We waren met acht mensen uit onze gemeente van de partij. Een van de vragen die passeerden was hoe welkom buitenstaanders zich in onze kerkdienst voelen. Voelen ze zich op hun gemak? Kunnen ze alles goed volgen en begrijpen? Of is het meer abracadabra voor hen?

Als je hier nu nooit komt, zou je dan met zo’n zondag Gaudete uit de voeten kunnen, vraag ik me af.

Het is niet voor het eerst dat ik op zondag Gaudete preek. In 1999 heb ik – zo las ik terug – in Geleen wat vuur staan spuwen. Ik voorspelde daar dat als alles moet blijven zoals het is, dat dan ook geaccepteerd moet worden dat binnen afzienbare tijd het licht in de kerk uitgedaan moet worden. “Of dit nu een historische kerk is of niet” – zo zei ik toen – het moet dicht om de eenvoudige reden dat er niet meer genoeg mensen naar de kerk komen.

Ik heb die arme mensen toen flink onder druk gezet. Ik heb hen op het hart gedrukt dat zij aan de slag moeten – terwijl het veelal mensen waren die al zoveel deden – en dat de kerk en de kerkdienst moeten veranderen wil er voor die kerk toekomst zijn.

Nu, 14 jaar later, denk ik dat in dit alles wel een kern van waarheid zit – maar dat je hier niet mee moet beginnen. Sterker, verandering is geen doel in zichzelf, maar verandering is het resultaat van iets anders.

Ik zou het willen vergelijken met een feestje. De beste feestjes zijn geen doel in zichzelf: er wordt niet gefeest om te feesten. Het feest heeft een aanleiding, een reden: er is iets gebeurd, iets fantastisch – bijvoorbeeld de bevrijding van Nederland, iemand die 100 wordt, een koppeltje dat elkaar al 50 jaar trouw is, Go Ahead dat met 7-0 wint van Ajax – dát zet ons aan tot feesten, dát maakt het feest tot een echt feest!

Een kerkdienst is ook een feestje. Een viering. Er wordt met een kerkdienst gevierd, er wordt gefeest. Dat wat gevierd wordt, is de reden dat wij hier zijn.

Waarom bent ú hier – Waarom bent u híér – vraagt Jezus aan de scharen. “Ben je gekomen om te zien hoe riet door de wind wordt bewogen?” Dat is een wat zurig grapje van Jezus. Natuurlijk zijn de mensen daar niet voor gekomen, natuurlijk hebben ze geen tientallen kilometers afgelegd om zo’n stuk riet te zien bewegen. ‘Komt u dan voor de show of voor het spektakel’, vraagt Jezus? Maar dan moet je niet naar de woestijn, zegt hij, maar naar de mediapaleizen in Jeruzalem, Hilversum of Amsterdam – of – makkelijker – je kunt dan net zo goed thuisblijven en naar de beeldbuis kijken.

Waarom bent u hier?

Jezus is niet de enige die vragen stelt. Johannes – degene voor wie de scharen is uitgelopen – stelt ook een vraag. Johannes zit in de gevangenis. En ook hier zit een zurig, ironisch kantje aan. Want min of meer dankt hij zijn gevangenschap aan Jezus – en nu hij daar zit, slaan juist de twijfels rond Jezus toe. Is Jezus wel degene voor wie ik alles op het spel moet zetten, is Hij dat wel waard – of doe ik er beter aan om op een ander te wachten – wie bent u eigenlijk, Jezus? – wat doet u hier eigenlijk – waarom bent u hier?

En dan geeft Jezus zijn leerlingen de opdracht om Johannes te verkondigen wat zij zelf horen en zien. Meer niet. Vertellen hoe je Jezus ziet. Vertellen wat hij heeft gezegd. Dat is alles.

Toen ik dat wat door liet werken, realiseerde ik me plots dat Jezus zijn leerlingen – ons – niet de opdracht geeft ‘zorg dat de kerk vol komt te zitten’ maar ‘vertel over mij’.

Misschien, denk ik maar zo, is het goed voor ons allemaal wanneer we elkaar bevrijden van de kramp om de kerk weer vol te krijgen.

Dikwijls hoor ik kerkgangers zeggen ‘wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’. Ik vroeg me af wie dat spreekwoord verzonnen heeft. Dat heb ik niet terug kunnen vinden. Het staat in elk geval niet in de bijbel.

In de kerk zouden we elkaar niet zozeer toe moeten roepen ‘wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’ maar veeleer ‘welke toekomst heeft de jeugd’. Want wat eerder in de bijbel staat, is zoiets als ‘wie God heeft, heeft de toekomst’. De toekomst ligt in Gods handen: laten we in hemelsnaam onze jeugd daarmee niet belasten, daarmee zouden we van hen het onmenselijke vragen.

Zo kwam ik er eigenlijk op dat gelovigen niet allereerst drukdoende moeten zijn met het veranderen van de kerk om maar meer mensen – en vooral meer jongeren – naar binnen te lokken, maar dat het allereerste begin veeleer samenvalt met vertellen hoe jij Jezus ziet, wat jij van Hem gehoord hebt. Meer niet.

Johannes zit in de gevangenis. Paulus zit óók in de gevangenis. En vanuit die gevangenis roept hij zijn medegelovigen op: “Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd.”

Met een beetje geweld zegt Paulus hetzelfde als Jezus maar dan positief geformuleerd. Jezus zegt ‘gelukkig degene die zich niet aan mij ergert’, Paulus zegt ‘gelukkig degene die zich in Jezus verblijdt’.

Ik schrik er zelf ook een beetje van – maar volgens mij zegt Paulus met zoveel woorden dat Jezus de reden voor alle blijdschap is, Jezus zet ons zogezegd aan tot feesten, de viering draait om Hem.

Dat zou overigens wel weer een reden kunnen zijn bedenk ik me zo om er wel weer van alles voor te doen om de kerk zo vol mogelijk te krijgen. Immers, hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Maar de bron van onze vreugde is niet het aantal zielen – maar Jezus.

En dat brengt me tot slot bij zondag Gaudete. Ook al is het misschien missionair onverantwoord maar zondag Gaudete is samen met zondag Laetare de mooiste zondag van het jaar. Gaudete betekent ‘verblijdt u’, laetare betekent ‘verheugt u’. Beide zondagen zijn roze gekleurd. Paars door wit gebroken. Paars is de kleur van lijden, van de dood. Wit is de kleur van het feest, van het leven. Roze is de kleur van ons bestaan.

Midden in het leven ontkennen wij het lijden niet. Johannes zat in de gevangenis en is onthoofd, Paulus zat in de gevangenis en volgens overlevering is hij na marteling ook onthoofd. Wij sluiten onze ogen niet voor al het lijden dat we in de wereld zien gebeuren.

En toch – vieren wij midden in de dood het leven, want, zo zingt het lied, Eén breekt het brood om met ons te leven – wit! – midden in de dood – paars!

Roze is het teken dat wij te midden van alle gebrokenheid, al het verdriet, al het onheil niet vervallen aan de wanhoop maar aan de hoop. De hoop is geen beginsel, geen theorie, is niet vervat in een of andere uiteenzetting – maar die hoop heeft een naam: Jezus.

Ben jij de komende of moeten we een ander verwachten?

 Mensen, wij zijn geroepen om te leven!
God onze toekomst, God is onze Vader,
Ja, wij zijn allen kinderen der belofte,
kinderen van de dag die komen zal,
als Hij, de Zoon, de Zon, daalt uit de hoogte,
roepend van recht en vrede overal!

Daarom, ‘Verblijdt u in die Heer te allen tijd, dat zeg ik u, verblijd u’.

Amen.