Matteüs 13,44-52

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van God,

Toen ik bij de Marine op zee zat, stond ik soms wat verbaasd over de vele procedures. Er was in mijn ogen echt voor alles en nog wat wel een procedure voor. Naar mijn smaak soms voor wat onbenullige dingen, zoals bijvoorbeeld voor de wijze waarop je aan boord van een schip behoort te komen. Maar er zijn natuurlijk ook procedures voor bloedserieuze zaken zoals voor het blussen van brand of voor het laten landen van een helikopter op het schip. Voordat zo’n helikopter kon landen, werd er altijd een hele procedurelijst afgewerkt. En in mijn herinnering was één onderdeeltje op die lijst de controle of de windmeter op de brug van het schip dezelfde gegevens weergaf als de windmeter achter op het schip, daar waar de helikopter moest landen. Er werd soms wel wat gediscussieerd over de zinvolheid van sommige checks maar bij het lezen van onze evangelietekst moest ik juist aan deze controle van de windmeters denken.

Onze lezing roept de vraag op of de prioriteit zoals die in de hemel wordt aangegeven dezelfde is met die op de aarde. Of de levensrichting van God overeenkomt met die van mij. Het zou een soort check kunnen zijn. Liggen God en ik nog op dezelfde koers?

En daar waar mensen op Gods koers liggen, daar is het koninkrijk van de hemel.

Het koninkrijk van de hemel. Het is één van de Bijbelse kauwgombegrippen. Kauwgombegrippen zijn woorden waar je altijd wel mee bezig blijft. Woorden die je, zo lijkt het, nooit helemaal goed kunt begrijpen. Zelf herken ik die begrippen altijd aan het simpele gegeven dat ik altijd weer zoeken naar de betekenis ervan.

Als het om het koninkrijk van de hemel gaat, dan – met respect – kauwt ook Jezus daar vol op. Aan het begin van hoofdstuk 13 stellen zijn leerlingen hem een vraag en in reactie daarop zegt Jezus: “jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel kennen” – en dan vertelt Jezus aan de hand van zes gelijkenissen waar het koninkrijk van de hemel op lijkt.

Wat raakt, is dat elke denken en spreken over dat koninkrijk van de hemel niet simpel kan zijn. Het antwoord op de vraag ‘wat is het koninkrijk van de hemel’ kan niet met 3 woorden beantwoord worden. Als Jezus er al 6 gelijkenissen voor gebruikt, hoe zouden wij het dan in ons hoofd halen om dit geheimenis even snel uit de doeken te doen. Om de betekenis van dit geheimenis te doorgronden zal je moeite moeten doen.

Het andere wat raakt, is dat de leerlingen van Jezus – en dat zijn wij – geheimen worden toevertrouwd, die worden door Jezus aan hen verteld waardoor zij daar mede-eigenaars van worden: leerlingen van Jezus – wij bezitten een geheim.

En het is misschien goed om in deze tijd dat ‘ns tot ons door te laten dringen. In een tijd waarin zo’n beetje het hele Westerse christendom op de helling is komen te staan, een tijd waarin alles aan kritiek is onderworpen en waarin alles aan twijfel onderhevig is, een tijd waarin onzekerheid en terughoudend de overhand hebben gekregen boven openhartigheid en trots – is het misschien goed om ons te realiseren dat christenen een geheim bezitten, iets wat niet gemakkelijk doorgrond kan worden maar waar moeite voor gedaan moet worden, iets wat verborgen is en waar dus naar gezocht moet worden om het te kunnen vinden.

Over kauwen gesproken: hier kun je je tanden op stukbijten. Dat iets er is én dat je ernaar moet zoeken, het koninkrijk van de hemel ís er en je moet ernaar zoeken.

Die dubbelheid zien we wat terug in de eerste twee gelijkenissen. Die schat en die parel zijn er al, ze zijn al aanwezig, het is niet iets wat eerst gemaakt moet worden om het te kunnen vinden. Nee, het is er maar het is klaarblijkelijk verborgen zodat het aan de aandacht, aan het zicht van mensen ontsnapt. Maar dan, op een zeker moment stuit de een op de tot dan toe verborgen schat en de ander op de tot dan toe ongeziene parel. Je kunt niet zeggen dat het een gegarandeerd resultaat is van een of ander plan van aanpak of wanneer je die en die cursus volgt of theologie studeert dat je dan gegarandeerd een schat of een parel vindt.

Nee, het enige wat je misschien kunt zeggen is dat er voor het vinden van die schat gegraven moet worden: wie weet hoeveel akkers er door die schatvinder wel niet afgegraven zijn voor hij deze schat eindelijk vond. En dat geldt ook voor die parelvinder: wie weet hoeveel parels hij al wel niet door zijn vingers heeft moeten laten gaan voordat hij deze ene trof.

De schat en de parel is het vindersloon van de zoekers – maar dat niet alleen: het is ook het vindersrisico van de zoekers. Want wanneer de zoekers eenmaal het gezochte vinden dan hebben ze daar alles voor over – wat ze vinden verandert hun hele bestaan, het zet hun hele leven op de kop. Dus weet waar je met zoeken aan begint. Om te vinden moet je zoeken – wie weet hoe lang – maar zodra je eenmaal het gezochte vindt, dan heb je daar alles voor over.

De vraag die nu nog rest, is waarom je zou gaan zoeken en graven? Wel, ik denk dat je gaat zoeken wanneer je vermoedt dat je iets kunt vinden. Zeker weten doe je dat natuurlijk niet anders hoef je niet te zoeken.

Als je weet dat je sleutels op tafel liggen dan hoef je er niet naar te zoeken. Maar als ze niet op tafel liggen en je vermoedt dat ze daar wel ergens in de buurt liggen dan sla je aan het zoeken. Dat is één.

Het andere is dat je verlangt naar dat waar je naar zoekt. Wanneer iets je totaal onverschillig laat, dan ga je er ook niet naar zoeken. Maar wanneer je naar iets of iemand verlangt, dan ben je bereid om daar moeite voor te doen – dan wil je wel zoeken.

Jezus maakt de leerlingen – ons – deelgenoot van de geheimen van het koninkrijk van de hemel omdat zij en wij ernaar verlangen om dat geheim te leren kennen.

Daar waar mensen op Gods koers liggen, daar is het koninkrijk van de hemel. Het koninkrijk van de hemel is daar waar God is.

Zoeken naar de geheimen van het koninkrijk van de hemel is zoeken naar het geheim van God.

Want, zo houdt Paulus de Grieken in zijn rede op de Areopagus voor: “Het is Gods bedoeling dat de mensen hem zoeken en hem al tastend kunnen vinden, aangezien hij van niemand van ons ver weg is.”

Ik wil met de volgende vragen tot een afronding komen:

We hebben er verder niet bij stil gestaan deze keer, maar Jezus heeft het ook over schriftgeleerden die leerlingen zijn van het koninkrijk van de hemel,

leerlingen van God. De vraag vandaag aan u en mij is daarom hoe wij ons lezen van de bijbel, persoonlijk of samen met anderen, kunnen stimuleren of verbeteren. Laten we ideeën uitwisselen met elkaar.

Welke heiligen het waren, weet ik helaas niet meer maar het verhaal gaat dat telkens waar die ene heilige de ander ontmoet, zij aan hem vraagt: ‘En, heb je nog nieuws van God?’ Wij christenen, wij – u en ik – Godzoekertjes: wat heeft u de laatste keer gevonden, welk nieuws heb je van God?

Amen.