Matteüs 14,22-33

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

De waterwandeling van Jezus is een door en door bekend gedeelte. Vermoedelijk omdat lopen over water geen alledaags verschijnsel is.

De vraag of die waterwandeling écht gebeurd is, kan het hele verhaal overschaduwen – zozeer zelfs dat de betekenis ervan aan de aandacht ontsnapt. De waterwandeling van Jezus gaat namelijk niet over de vraag of het echt gebeurd is. De vraag of Jezus echt over dat water heeft gewandeld gaat buiten dit verhaal om. Al dan niet echt gebeurd zegt daarom meer over de lezers dan over het verhaal.

De vraag of iets wel of niet gebeurd is, is heus van belang – maar het antwoord op die vraag staat niet in de bijbel omdat in de bijbel die vraag niet wordt gesteld.

Of om het anders te zeggen: volgens Matteüs liep Jezus over water. Natuurlijk was dat ook voor Matteüs niet de gewoonste zaak van de wereld. Daarom schreef hij het ook op. Maar de vraag of Jezus ook écht over water wandelde stelde hij niet. Als wij die vraag nú wel stellen dan moeten we voor een antwoord dus niet bij Matteüs zijn.

Liep Jezus over water? Volgens Matteüs, Marcus en Johannes wel. En ik heb daar geen moeite mee. Allereerst omdat ik ervan uitga dat er meer dingen kunnen gebeuren of kunnen bestaan dan ik voor mogelijk kan houden; en ten tweede denk ik altijd een beetje simpel ‘je bent god of je bent het niet’ – en een god die niet eens over water kan wandelen, zoals mensen dat ook niet kunnen – wel, waar hebben we het dan nog over? Hebben we het dan niet eerder gewoon over een mens in plaats van over een god?

Afijn. Laten we maar ‘ns wat rap de vinger leggen bij de vragen die wellicht wél door Matteüs worden opgeroepen.

Wat mij betreft is dan al meteen raak als Matteüs schrijft dat Jezus de leerlingen dwingt om in de boot te stappen. Een dwingende Jezus. Die kom je ook niet op elk bijbelbladzijde tegen. Wie-wat-waar-waarom, vraag je af. Vanwaar die dwang?

Jezus heeft net met 5 broden en 2 visjes 5.000 mannen – vrouwen en kinderen niet meegerekend – te eten gegeven. Elders lezen we dat daarop meteen stemmen opgingen om Jezus koning te maken.

Was dat het? Was Jezus bang dat de leerlingen in de ban van zouden raken van dit populisme, in de ban van het grote succes dat hij hen daarom onder druk zette om zich uit de voeten te maken. Hup, in die boot en maak dat je weg komt, wegwezen!

Of zou het zijn dat Jezus even genoeg had van al die aandacht en dwong hij daarom zijn leerlingen in die boot. Want de leerlingen zijn het water nog niet op of Jezus stuurt alle mensen naar huis. Eindelijk alleen. Maar wanneer hij eindelijk alleen is, gaat hij een berg op om juist weer gemeenschap te zoeken – met God.

Toen de eerste lezers van Matteüs’ evangelie dit lazen, gingen er waarschijnlijk meteen een heleboel belletjes rinkelen want in het Oude of Eerste Testament zijn het niet de eerste de beste die een berg op gaan om God te ontmoeten: Mozes en Elia gingen hem voor.

Misschien is er nog een derde mogelijkheid, namelijk dat de leerlingen niet durfden.

Misschien durfden zij de zee niet op – maar aangezien er heel wat van hen vissers waren, lijkt dat wat stug.

Of misschien durfden ze niet zonder Jezus te vertrekken. Durfden ze hem niet achter te laten? Of misschien durfden ze juist niet zonder hem vooruit te gaan: ‘ga maar vast’, zei Jezus, ‘ik kom er zo aan’.

Misschien hadden ze last van koudwatervrees, moest Jezus hen dwingen, de eerste keer, om zonder zijn directe nabijheid eropuit te gaan. Misschien paste dit wel in het trainingsprogramma van Jezus, een opwerkingsprogramma, een programma dat Hij langzaam opbouwde zodat hij later – zo rond Pinksteren – met een gerust hart tegen hen zou kunnen zeggen: ‘ik zend jullie de wereld in – ga maar, ik kom er zó weer aan’.

Wat mij betreft is dit eerste vers het spannendste van dit hele verhaal.

Zou ik me door Jezus die boot in hebben laten dwingen, zou ik bereid zijn geweest om iets te doen omdat Hij het zegt maar waar ik niet om sta te springen? Wil ik wel naar de overkant? Wat is er mis met deze kant? Zou ik iets doen alleen maar omdat Hij het zegt?

Afijn.

Maar wanneer de leerlingen doen waartoe Jezus hen dwingt, dan zou je toch wel minstens mogen verwachten dat alles dan van een leien dakje verloopt. Ze stappen in de boot, zetten koers naar de overkant en dan zou je toch denken nu ze gehoor geven aan wat Jezus van hen vraagt, dat ze met de wind vol in de rug met het grootste gemak naar de overkant varen.

Maar nee, het is een heel gemartel voor hen om naar de overkant te komen. Ze hebben wind tegen – ’t is geen storm, de boot staat niet op zinken – maar het kost gewoon de grootste moeite om naar de overkant te komen. En dat blijkt ook wel – ik vind dat eerlijk gezegd altijd weer wat grappig – uit het gegeven dat Jezus hen klaarblijkelijk lopend in kan halen.

Hoe dat verder ook zij: doen wat Jezus van je vraagt, kan blijkbaar ook betekenen dat je moet leven met tegenwind, dat het bereiken van de overkant een zeer grote en moeizame inzet vereist.

Dat waterwandelen in die tijd ook niet de gewoonste zaak van de wereld was, mag blijken uit het gegeven dat de leerlingen zich het ongans schrikken – zo heftig zelfs, dat ze hem op het eerste gezicht niet eens herkennen. Treffend is dat toch, dat Jezus bij wijze van spreken voor de neus staat maar dat Hij niet wordt herkend. Jezus zien en Hem niet herkennen – ook dat komt vaker voor.

Nu is waterlopen ook niet voor iedereen weggelegd en dat weten degenen die het Eerste Testament kunnen dromen ook. De dichter van Psalm 77 zingt

‘Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar. U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.”

Professor Den Heyer schrijft ergens: “Als een herder ging God zijn volk voor tijdens de Exodus uit Egypte, door de Schelfzee op weg naar het beloofde land. Als een herder leidt Jezus de hulpzoekende menigte, geeft ze overvloedig te eten en wandelt nu, net als God, over de zee. Hij heeft de machten van de chaos in zijn macht en hij kan, net als God, de wind en golven tot bedaren brengen. Zo komt in dit verhaal de ongeëvenaarde macht van Jezus tot uitdrukking. Deze mens is als G’d”.

Deze boodschap ligt onder die hele waterwandeling

Wandelen over water, tja – je bent G’d of je bent het niet.

Het blijft een beetje raadselachtig waarom Petrus nu over boord wilde stappen. Wat hem ook bewogen heeft, het getuigt in elk geval van een groot geloof. Over boord stappen is al één ding maar dan ook over water lopen, is nog weer iets anders. Maar op een zeker moment begint hij dus te twijfelen en dan zakt het water onder zijn voeten vandaan.

Twijfel. Twijfel betekent letterlijk zoiets als in tweeën gedeeld zijn. Op twee gedachten hinken. Of misschien wel van twee walletjes willen eten.

Twijfelen is niet dat je iets niet zeker weet. Hier wordt met twijfelen niet bedoeld dat je twijfelt of iets wel echt is gebeurd.

Waar het met twijfelen om gaat, heeft veel meer te maken met je richtpunt, je focus. Wie of wat je voor ogen hebt, is bepalend hoe je in het leven staat. Je hoort dat soms wel eens iemand tegen een ander zeggen: ‘vóór je kijken!´. Die ander kijkt dan blijkbaar alle kanten op, behalve vóór zich – en dan kan het mis gaan.

Afgelopen november was ik in Taizé en daar had ik ook gesprekken met een broeder. En die man zei zo’n beetje in elk gesprek ‘look at Jezus’, ‘kijk naar Jezus’. Aanvankelijk vond ik dat een beetje suffe opmerking maar naderhand leerde ik het waarderen – en nu met onze lezing valt het kwartje pas goed.

Op het moment dat Petrus oog kreeg voor iets anders dan Jezus – namelijk de wind – werd hij bang, zakte de moed hem in de schoenen en begon hij te zinken.

Wat ik ook altijd weer mooi vind om te lezen is dat Jezus hem terstond bij de handen greep. Hij laat úm niet eerst nog wat spartelen tot het water hem aan de lippen staat of zelfs een paar keer kopje onder gaan – nee, terstond, meteen.

En ik hoop dat u met mij zich er intens over kunt verwonderen dat Petrus nu niet werd gered vanwege zijn grote geloof, nee, hij werd gered op het hoogtepunt van zijn twijfel.

Tenslotte. Wanneer de leerlingen ploeteren en Jezus voor een spook houden, zegt Jezus slechts ‘vrees niet, Ik ben het’. Ook dat ‘Ik ben het’ klonk in Joodse oren waarschijnlijk naar meer, “naar Mozes, die aan Israël het hoopgevende geheim van de Godsnaam verkondigde: Hij is er”. (H. Baarlink).

Maar wat mij ook opvalt, is dat op dat moment de wind niet ging liggen. Dat gebeurde pas veel later, toen Jezus samen met Petrus de boot in stapte. Waar dus maar mee gezegd wil zijn, dat in Jezus’ aanwezigheid de wind niet gaat liggen maar de angst wordt weggenomen…

Dus, geloven in Jezus betekent niet dat je geen tegenwind in je leven zult ervaren, niet dat je leven vrij is van ploegen en ploeteren – maar dat je nergens bang voor hoeft te zijn wanneer je Jezus in ’t oog houdt… ‘look at Jezus’. Blijvend kijken naar Jezus bepaalt zo hoe je in het leven staat – ongeacht wat je onder je voeten hebt.

Ik sluit vandaag af met het verzoek om thuis deze tekst weer ‘ns op een papiertje over te schrijven en deze de komende week wat bij u te houden.

U en ik zijn leerlingen van Jezus. En ook wij hebben ons door Hem laten dwingen om in een boot te stappen, om vast vooruit te gaan in het vertrouwen dat Hij er zo weer aankomt.

Hoe zit u in die boot? Waartoe heeft Jezus u gedwongen? Roeit u nog wat of dobbert u meer? Maakt u er werk van om naar de overkant te komen of gelooft u het wel? Bent u gelukkig in die boot of snakt u naar de wal? Misschien denkt u: wat ik maar nooit in de boot gestapt, het wordt toch nooit wat! Of zit u heel enthousiast, vol vertrouwen en zingend in dat bootje?

Hoe dan ook: wat zou u kunnen doen om die boottocht te verbeteren? Voor uzelf of voor de andere opvarenden – want u zit natuurlijk daar niet alleen, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje.

De laatste vraag is tenslotte om de komende week bij verschillende gelegenheid bewust naar Jezus te kijken, gewoon ff Hem voor de Geest halen, Hem te gedenken. Af en toe en steeds vaker gewoon even ‘Jezus’ denken – daar meer en meer een gewoonte van maken, net zo lang totdat Hij je eigen is.

Jezus. Meer niet –

Amen.