Matteüs 26,31-35

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Volgens mij is het me nog nooit overkomen maar nadat ik even m’n gedachten had laten gaan over onze evangelielezing, voelde ik er veel meer voor om vandaag met u bij een ander Bijbelgedeelte stil te staan.

Dat zit ‘um allereerst in dat woordje ‘verloochenen’. Door dat woordje ontkom je niet aan de vraag hoe dat bij jezelf zit, of je Jezus wel ‘ns hebt ‘verloochend’ of zult ‘verloochenen’. En alhoewel ik een dergelijk zelfonderzoek aan de hand van deze vraag prima vind, bemerk ik bij mijzelf toch een groter plezier om het vandaag over iets anders met u te hebben.

Dat zit ‘um in twee dingen.

Een klein ding is dit: zoals we met Kerst elkaar niet voor de gek houden alsof Jezus opnieuw geboren moet worden, zo houden we elkaar in de 40-dagentijd ook niet voor alsof Jezus opnieuw gekruisigd moet worden. Christenen leven voor altijd ná Pasen – wat wij ook herdenken, gedenken of vieren wij doen dat altijd in het licht van Pasen.

Een groter ding is dit: de laatste weken spookt regelmatig Filippenzen 3 door mijn leven. Dat komt ervan, zeg ik u maar, wanneer je Bijbelteksten met de hand op een papiertje overschrijft, waardoor je er een week lang op kunt kauwen.

Filippenzen 3 gaat over het kennen van de Heer – en ik bedacht me dat nu net het tegenovergestelde is van het verloochenen van Jezus. En zo komt het dat ik vandaag met u bij Filippenzen 3 stil wil staan:

“7 [Maar] wat voor mij [- Paulus -] winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 8 Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen 9 en één met hem zijn – niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus. 10 Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11 in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.”

Filippenzen 3, 7-11 NBV

Eind februari verbleef ik zoals u weet voor een stilte-retraite in Taizé. Tijdens één van die dagen werd deze tekst gelezen – en sindsdien laat die tekst mij niet meer los.

Als iemand de kunst verstaat om je te laten struikelen, dan Paulus – en dus struikelde ik ook. Maar over woord dat ik niet verwachtte: het woordje ‘misschien’ in het vers “in de hoop misschien ook zelf uit dood op te staan”.

Binnen een seconde was mijn woede ontvlamd op de nieuwe bijbelvertalers, want als er één woord niét kon staan dan ‘misschien’. Onmogelijk.

Hier zou moeten staan: “in de rotsvaste hoop zonder meer, vast en zeker, zelf uit de dood op te staan”. Al er één ding boven alle twijfel verheven moet zijn, dan wel zijn en mijn opstanding uit de dood.

‘Misschien’ – hoe verzinnen ze het! Ik nam me heilig voor dat als mijn vermoeden juist zou blijken, dat ik deze nieuwe Bijbelvertaling nooit meer met een vinger aan zou raken.

Maar ik had het mis.

Natuurlijk kan er geharreward worden over de precieze vertaling maar iets van dat ‘misschien’ blijft ook met andere woorden overeind. Ik ben terecht gestruikeld.

Maar waardoor precies? Wat heeft me zo van m’n sokken geblazen.

Wel, ik geloof dat de opstanding uit de dood tot de kern van ons geloof behoort. Maar in deze tekst lijkt die hele opstanding bijzaak.

Ik dacht altijd dat die opstanding uit de dood christenen van het eerste uur juist de moed had gegeven om hun martelaars-lot open onder ogen te zien: juist omdat de dood het einde niet is.

Als nu juist dat opstandingsgeloof in hardvochtige omstandigheden mensen ertoe heeft gebracht om veel méér dan het gewone te doen, hoeveel te meer zal ik dan wel niet daartoe bereid zijn in de huidige zachtaardige omstandigheden?

Maar Paulus zegt hier nog net niet dat die opstanding er niet toe doet.

Maar als het daar ten diepste niet om gaat, als dat de kern niet is, waar gaat het dan wel om?

Ik weet natuurlijk weer niet of u het herkent, maar soms kun je zoeken naar iets terwijl het voor je neus staat. Zo heb ik zelf me ‘ns een hoedje gezocht naar een pen die ik achter m’n oor had gestoken – tot hilariteit van de omstanders. Niet een van m’n meest bijdehandste momenten.

Dat hele christelijke geloof, waar draait dat nu om?

De meeste christelijke helden, heiligen, worden gekenmerkt door hun radicaliteit, door hun compromisloze commitment. Vrouwen en mannen zoals – willekeurig – Clara en Franciscus van Assisi, Simone Weil en Thérèse van Lisieux, Dietrich Bonhoeffer, Kaj Munk, Moeder Teresa, Maarten Luther King. Paulus.

Hij zegt er alles voor over te hebben om Christus te kennen. Alles. Radicaal. Voor Paulus draait zijn geloof om het kennen van Christus. Compromisloos. Allesbehalve salonfähig. En al wat die kennisvergaring blokkeert, belemmert of in de weg staat acht hij van nul en generlei waarde, als vuilnis.

Om Christus te leren kennen is hij bereid heel ver te gaan – desnoods tot het uiterste.

Nu snap ik ook met terugwerkende kracht dat zelfs Paulus’ eigen opstanding aan dit verlangen ondergeschikt is. Of zoals hij zelf zegt: “het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles” – dus zelfs zijn eigen opstanding uit de dood.

Toen ik dit wat beter tot mij door liet dringen, viel er niet zozeer een kwartje – maar daverde er veeleer honderden euromunten naar beneden.

In meer of mindere mate, het verschilt door tijd, maar toch – geloven mensen, u en ik, in de onvoorwaardelijk liefde van God voor elk mens. Om alleen dit al te doorgronden heb je je leven lang genoeg.

Maar wat mij nu ongelofelijk treft in deze woorden van Paulus is dat hij God wil leren kennen – evenzeer onvoorwaardelijk. Hij wil God kennen zonder er verder iets mee op te schieten, zonder er iets aan te verdienen, zonder erop vooruit te gaan, zonder er iets aan over te houden – zoals die opstanding.

Het kennen van Christus Jezus overtreft dat alles. En je voelt dan natuurlijk wel aan je water dat het dan niet alleen gaat om rationele kennis, om grijze massa kennis – hoe fantastisch die ook is – maar ook om rode massa kennis, om relationele kennis.

Als we zeggen dat Jan kennis heeft aan Jet dan bedoelen we meer dan dat Jan weet wie Jet is. Als Paulus kennis wil hebben aan Christus, dan wil hij méér dan slechts weten wie Christus is.

Christus is voor hem geen studieobject, geen onderwerp voor onderzoek of discussie.

Hij heeft iets met die Jezus – hij heeft het over hem als ‘zíjn Heer’ zoals Jet het over Jan heeft als ‘háár vriend’.

En nu denk ik dat juist dat verlangen om God te kennen niet alleen voor Paulus maar voor elk mens een wereld van verschil maakt, het hele leven, al het doen en laten in een ander licht zet.

Het kennen van Christus is geen geloofsleer, geen levensleer maar levenswijze – een new way of life.

En zo is het kennen van Christus Jezus eenvoudigweg een opstanding tot een nieuw leven, waar kracht, levenselan uit voortkomt.

Christus kennen betekent voor mij – om met de Spreukendichter te spreken – dat ik aan Hem denk bij alles wat ik doe. Zo zou ik vandaag mijn commitment willen benoemen. Bij alles aan Hem denken heeft automatisch op alles effect: hoe ik mijn dag invul, hoe ik met de aarde omga, met planten, met dieren, met mijn hond, hoe ik met mijn bezittingen, mijn geld omga en met de mensen die ik ontmoet: vrienden maar vooral ook degenen die mij wat minder liggen. Bij alles aan Hem denken zet vrijwel mijn hele bestaan in een ander licht – opstandingslicht. Uiteraard gaat dat gepaard met vallen maar vooral met ópstaan, ópstaan, iedere morgen opnieuw.

Christus kennen is de kracht van zijn opstanding ervaren, in het leven van alledag.

Zoals u weet, ben ik sinds kort gewoon om te besluiten met een paar vragen.

De vaste vraag is het verzoek om het Bijbelgedeelte van vandaag met de hand op een papiertje over te schrijven en dat papiertje de komende week bij de hand te houden, om het herhaaldelijk te lezen, te herkauwen en zodoende deze tekst u meer en meer eigen te maken – als uw eigen woorden.

De tweede vraag is wat u kunt doen om vandaag en de komende tijd Christus kunt leren kennen – opnieuw of nóg beter.