Matteüs 26,57-68

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van God,

Eigenlijk leent de dag van vandaag – Witte Donderdag – zich niet zo bar goed voor preken. Het is niet zonder reden dat Bach voor deze dag zijn Johannespassie schreef: er hoeft niet meer zo veel gezegd te worden wanneer je het lijdensverhaal van Jezus wat dieper op jezelf in laat dringen. Hoogstens zou je – zoals dat in de traditie gewoon was én de Paus doet het nog steeds – her en der wat voeten kunnen wassen om jezelf met je neus op het feit te drukken dat Jezus en zijn navolgers leven om elkaar te dienen – te helpen.

Maar – vandaag geen Johannespassie en aan die voetenwasserij doen we ook niet, daarom – in plaats daarvan – slechts een paar woorden.

Ik zou graag met u willen kijken naar twee personen uit onze evangelielezing. De manier waarop zij op Jezus reageren, wil ik gebruiken als een soort spiegel om onze reactie op Jezus daarnaast te houden. Die twee personen zijn Petrus en Kajafas, de visser en de theoloog, de gewone man en de hoogwaardigheidsbekleder.

Kajafas heeft, zo verbeeld ik me, alles die nacht aangezien en vast moeten stellen dat het zo niet veel opschiet. Alle moeite ten spijt heeft het niet tot het beoogde resultaat geleid. Daarom bedacht hij een strikvraag waarvan hij zelf niet vermoedde, denk ik, dat Jezus erin zou tuinen, Jezus zou vast en zeker in zijn hardnekkig zwijgen volharden. Maar tot verbazing van Kajafas reageerde Jezus niet alleen maar vertelde Jezus zelfs veel meer dan waar Kajafas om gevraagd had. En Jezus bezegelde zodoende zijn eigen lot, hij timmerde zogezegd daarmee eigenhandig de nagels aan zijn eigen doodskist.

In reactie op Kajafas bevestigt Jezus met andere woorden dat Hij de Messias is, de Zoon van God. Meer hoeft Kajafas niet te horen: dit was genoeg om Jezus als godslasteraar te veroordelen en daar paste maar één straf bij – de doodstraf. En van pure ontzetting scheurde Kajafas zijn kleren.

Nu valt over dit alles heel veel meer te zeggen maar vandaag zou ik enkel stil willen staan bij het gegeven dat die woorden van Jezus bij Kajafas iets teweegbrengen. Hij haalt zijn schouders er niet over op zo van ‘ach, er zijn er wel meer die zeggen dat ze de Messias zijn’. Hij zegt ook niet zoiets als ‘tja, ieder mens kan dat wel zeggen, maar al het spreken over boven komt van beneden, dus wat zegt het’. Of, wat hij ook had kunnen doen, is er eenvoudig kennis van nemen en overgaan tot de orde van dag: in reactie op Jezus’ woorden zou hij dan z’n bed weer hebben opgezocht en zou hij zijn gaan slapen alsof er niets bijzonders zou zijn gebeurd. Maar dat doet Kajafas dus allemaal niet. Jezus’ bevestiging dat Hij de zoon van God is , brengt ontzetting bij hem teweeg – het laat hem alles behalve onberoerd.

De vraag die zo door Kajafas bij mij wordt opgeroepen luidt: wat doet het mij dat Jezus de Zoon van God is? Iets? Niks? Alles? Roept het ergernis op, verwarring? Of leidt het alleen maar tot vragen of onbegrip? Of word ik er blij van, leidt het tot verwondering – tot dankbaarheid wellicht? Kan ik er niet van slapen – of juist wel?

Wie niet kan slapen is Petrus.

Het is Petrus geweest die een tijdje eerder op Jezus’ vraag “wie ben ik volgens jullie” onomwonden had gezegd “‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God”. Wat door Kajafas als godslastering wordt afgedaan, wordt door Petrus geloofd – met alle gevolgen van dien:

Petrus is Jezus op een afstandje gevolgd en op dat afstandje kijkt hij toe hoe een en ander af zou lopen.

Sommigen doen wat meesmuilend over het gedrag van Petrus in deze nacht: dat hij Jezus weliswaar volgt maar dan op veilige afstand. En dat zijn navolging betekent dat hij slechts toeschouwer is: hij doet niets, hij kijkt alleen maar toe. En als ze hem vragen ‘hoor jij ook niet bij die Jezus’, doet hij alsof zijn neus bloedt.

Dat is natuurlijk allemaal waar maar óók waar is dat de andere 11 discipelen helemaal nergens waren te bekennen.

Toch, helemaal ten onrechte is het niet dat de uitdrukking dat Petrus Jezus op een afstand – “van verre” – volgt, een waarschuwing in houdt. Er is dan niet veel meer nodig om een definitief einde aan die navolging te maken.

De vraag die zo door Petrus bij mij wordt opgeroepen luidt: als ik belijd dat Jezus de Zoon van God, hoe volg ik Hem dan na? Op een afstandje of op z’n lip? Alleen op zon- en feestdagen of alle dagen van mijn leven? Ben is een christen die alleen maar toekijkt, de dingen vanaf de zijlijn een beetje aanziet – of steek ik de handen uit de mouwen, voeg ik de daad bij het woord? En laat ik als dat zo uitkomt zien dat ik bij Jezus hoor, dat ik christen ben – of kies ik ervoor dan te doen alsof mijn neus bloedt?

En zo wil ik op deze Witte Donderdag besluiten met slechts deze twee vragen:

Wat doet het mij dat Jezus zegt dat Hij de Messias, de Zoon van God is.

En als ik Jezus na wil volgen, hoe doe ik dat dan – waar blijkt dat uit?

Amen.