Numeri 6,22-17; Handelingen 4,8-12 en Lucas 2,21

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Nu wordt er weleens gezegd dat bewoners van deze streek heel erg nuchter zijn.

Eerlijk gezegd weet ik dat zo net nog ‘ns niet. Maar misschien zegt mijn onwetendheid vooral iets over mij en verder niets. Het punt is namelijk dat ik al het gedoe met Oud-en-Nieuw nooit zo best heb begrepen – als kind al niet. Heel de wereld wacht tot middennacht, wenst elkaar geluk we steken in ons landje voor 68 miljoen wat rotjes af en vervolgens gaat iedereen naar bed. Maar als je de volgende dag wakker wordt – vanmorgen dus – dan is er in vergelijking met een dag eerder helemaal niets veranderd. Dus ik begrijp al die drukte niet.

Nu is dit niet de belangrijkste reden – maar toch ben ik blij dat u en ik christenen zijn en wij iets op 1 januari te vieren hebben wat echt iets om het lijf heeft.

Vandaag, de 8ste dag van Kerstmis, vieren wij de Naam van de pasboren Heer, Jezus – want aan die naam dankt het christendom zijn geheel eigen bestaan: alles gebeurt er in zijn Naam – zonder die Naam zouden wij hier vandaag niet zitten en dat is nog wel het minst erge.

« Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt. »

Die Naam is de reden waarom wij deze dag vieren.

Toen ik hier gisteren zo mee bezig was, toen bekroop me – zo zeg ik u eerlijk – het gevoel dat de betekenis van die Naam mij boven de pet ging.

In eerste instantie bedacht ik me dat ik toch echt weer meer moet gaan lezen en studeren. Want het kan toch niet zo zijn dat als de vraag wordt gesteld wat die Naam betekent, dat ik – en ik ben toch echt geen groentje meer – niet goed weet wat ik moet zeggen.

De in 1976 overleden grote theoloog Kornelis Miskotte heeft een boekje over de Naam geschreven. ‘Bijbels ABC’ – het verscheen voor het eerst in 1941. De titel is bedrieglijk eenvoudig want het boekje is dat niet.

De ‘Naam’, zo schrijft Miskotte, is als het ware de A van het bijbels abc. Dat ik nog steeds met die eerste letter moeite had stemde mij niet optimistisch – maar gelukkig schrijft Miskotte ook dat de Naam het bijzondere is en dat men er niet aan mag wennen.

De Naam is nooit vanzelfsprekend. Daarom is het ook zo treffend dat men binnen een bepaalde Joodse traditie het woord God in plaats van met een o met een komma schrijft. Letterlijk is die Naam dan niet meer als vanzelf uit te spreken.

Dat is belangrijk – om meerdere redenen maar wat mij betreft vooral hierom dat de onvanzelfsprekendheid van de Naam verhoedt dat we die zouden menen die te kunnen begrijpen.

Over de Naam valt natuurlijk een en ander te zeggen maar woorden zullen altijd ontoereikend zijn om het wezen van de Naam te kennen.

Met studeren alleen, zo bedacht ik me, kom ik er dan ook niet.

Onze Nieuwe Bijbel Vertaling vertaalt Numeri 6 vers 27 zo: « Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen. » De oudere vertalingen verwoorden echter dat de Naam ons opgelegd wordt.

Die Naam wordt opgelegd – niet toegeëigend. Die Naam kan niet gegrepen worden – maar alleen ontvangen.

Zegenen benoemt, claimt, markeert en verbindt ons aan de Naam – met het doel, het karakter en de wil van God.

Dus als je die Naam krijgt opgelegd en draagt, dan heeft dat gevolgen – wil die Naam tenminste de betekenis hebben die het in zich draagt – en niet leeg en loos zijn, ijdel.

Die Naam ijdel gebruiken is niet zozeer vloeken met woorden maar veeleer met daden die met die Naam onverenigbaar zijn.

Miskotte schrijft ergens in dat boekje dit: « dat déze God zo gekend wordt en zó kan worden aangesproken, aangeroepen, benaderd – dát is het beslissende voor heel het menselijke bestaan. »

Dat beslissende komt wat mij betreft vandaag tot uitdrukking in de woorden van Petrus als hij zegt dat wij door niemand anders gered kunnen worden – want zijn naam – Jezus – is de enige op aarde die de mens redding biedt.

Nu roept dat woord ‘redding’ op z’n minst veel vragen op – waar moeten we bijvoorbeeld van gered worden? – maar misschien zijn wij in onze traditie zo aan de woord gewend geraakt dat de betekenis ons is ontsnapt.

Wouter van Voorst komt daarom met de suggestie om voor een andere vertaalmogelijkheid te kiezen – en mijn spreekt vervolgens in plaats van het woord Redder, het woord Heelmaker aan.

Dat woord past ook goed in ons gedeelte uit Handelingen want in de naam van Jezus Christus had Petrus een verlamde ‘gered’ – genezen, geheeld. Jezus – die naam betekent Heelmaker.

Vandaag wil ik heelmakende kracht van de Naam niet zo zeer miraculeus verstaan – maar vooral in deze zin dat wanneer je de Naam van Jezus aanneemt dat dat gevolgen heeft voor de alledaagse werkelijkheid.

Die heelmakende kracht herstelt het gebrokene en in die Naam wordt uiteraard niets gebroken.

Dat is nog niet altijd zo gemakkelijk, is mijn persoonlijke ervaring. Ook binnen onze kerk en onze gemeente niet, vind ik. Het lukt mij niet altijd om mij aan die Naam vast te houden, om heelmakende woorden te spreken en te blijven spreken, om in plaats van de verdeeldheid te voeden de eenheid te bevorderen.

In de kerk en onder christenen zondig ik meer en vaker dat buiten de kerk en onder niet-christenen.

Overigens, met het oog op de verkiezingen in dit nieuwe jaar is het een goede stemwijzer om te kiezen op degene die de eenheid tussen mensen versterkt en geen verdeeldheid zaait.

Tot slot, de Naam wordt ons niet alleen opgelegd om een leven te leven dat met die Naam verenigbaar is – maar ook om die Naam aan te kunnen roepen – om zich met de Naamdrager te verenigen.

Bij het schrijven van dit alles moest ik herhaaldelijk denken aan de tekst die centraal heeft gestaan tijdens de uitvaartdienst van Bé Jonker:

« Als wij leven, leven wij voor de Heer. En als wij sterven, sterven wij voor de Heer. Wij horen bij onze Heer Jezus Christus, in heel ons leven en ook als we sterven. »

Als heelmaker draagt Jezus er ook zorg voor dat er geen scheiding meer is tussen God en mensen – niets kan ons meer scheiden van elkaar, ook de dood niet – de dichter Willem Barnard schrijft bij deze verzen dat wij worden gered van de ramp der vernietsing.

Bent u bekend met het zogenaamd Jezus gebed? Dit Jezus gebed heeft zich ontwikkeld bij de woestijnvader zo omstreeks de vierde eeuw na Christus – en bestaat eruit door herhaaldelijk en niet anders dan de naam van Jezus te bidden.

De opvatting die hiermee samenhangt is dat met het noemen, het aanroepen van de Naam de afstand tussen God en de mens wordt overbrugd. Het noemen van de Naam brengt Naamdrager naderbij.

De gelovige spreekt Jezus bij name aan en voelt zich bij name geroepen – immers – ieder die de naam van de Heer aanroept, zal heelgemaakt worden.

Met de naam Jezus geeft Hij zich niet alleen te kennen – laat hij niet alleen weten wie Hij is en wat van Hem verwacht kan worden – heelmaking – maar is Hij ook kenbaar, te kennen, te ontmoeten.

Het kennen van God – horen wie Hij is en Hem ontmoeten ­– daar valt elk oud-en-nieuw toch bij in het niet – tenzij wij ons voornemen om op deze dag en alle dagen die mogen volgen de Naam van de Heer aan te roepen met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht.

Amen.