Openbaring 7,9-17 en Matteüs 5,1-12

Lieve gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Een zondag zoals vandaag leent zich niet voor gewone preken. Misschien leent geen enkele zondag zich daar wel voor – ik weet dat eigenlijk niet.

Hoe dat ook zij – voor deze dag heb ik mijzelf afgevraagd wat een mens nu werkelijk kan troosten wanneer wij, u en ik, overvallen worden door verdriet.

Ik bedoel daarmee te zoeken naar wat écht troost.

Alle verhalen – hoe goed bedoeld ook – die proberen het verdriet wat dicht te smeren of te verzachten vallen daarmee af. Opmerkingen als ‘na regen komt zonneschijn’, of ‘op den duur wordt het minder’, of dat wat er gebeurd is ergens goed voor is of een bedoeling heeft – bijvoorbeeld dat je er iets van zou moeten leren – kunnen van de hand worden gewezen. Tenminste – dat denk ik.

Wat biedt nu echt troost?

Wanneer je met deze bril op de bijbel zo ‘ns wat doorbladert dan valt eigenlijk allereerst op hoeveel ellendigheid in dat boek staat. Moordpartijen, overstromingen, oorlogen, hongersnood, ziektes, vervolgingen, ballingschap, onderdrukking, slavernij, verraad en het verlies van geliefden – je kunt haast geen bladzijde omslaan of je leest wel hoe het geluk van iemand aan diggelen gaat.

En nu zou je misschien verwachten dat al dat ongeluk aan de gelovigen voorbij gaat – maar dat is nu juist het gekke: het lijkt erop dat juist die gelovigen door al dat onheil getroffen worden.

Gelovig of niet: aan geen mens wordt een rozentuin beloofd – wanneer we in het begin van dit dikke boek lezen dat de mens uit het paradijs wordt gezet dan is daarvan geen woord gelogen.

De aarde is geen paradijs. Geloven verandert daar niets aan. Verdriet is dan ook iets – zo denk ik – wat bij het leven hoort. Het is onvermijdelijk. Zeggen dat je niet verdrietig hoeft te zijn, heeft daarom iets gewelddadigs – want mensen moeten zichzelf dan geweld aandoen om iets er niet te laten zijn, iets niet te voelen terwijl het er wel is: verdriet.

Tenzij – er is een manier om geen verdriet te krijgen namelijk door ervoor te zorgen dat alles je koud laat, door in volstrekte onverschilligheid te leven. Als je dat niet doet dan moet je aanvaarden dat verdriet de prijs is die je voor de liefde moet betalen. Onverschilligheid wekt geen verdriet. Verdriet wordt gewekt door de liefde. Als je nooit verdrietig wilt worden zorg er dan voor dat nooit van iemand of iets houdt. Een andere remedie bestaat er niet.

Wanneer je besluit om wél lief te hebben – mensen, dieren, planten, de aarde en alles wat daarop is – aanvaard dan ook dat je verdriet zult hebben – want je wordt in je hart geraakt wanneer je ziet dat degene of wat je lief hebt door pijn en ellende worden geraakt.

Wat ik eigenlijk met dit alles probeer te zeggen, lieve mensen, is dat verdriet er mag zijn – sterker misschien nog, dat mensen er recht op hebben om verdrietig te zijn en dat we elkaar tekort doen om verdriet weg te stoppen – of om zo snel als mogelijk over ons verdriet heen te zijn.

Soms vragen mensen dan wel eens wat je daar dan aan hebt, aan dat verdrietig zijn. Dat is misschien wel net zo raar als wanneer je vraagt wat je eraan hebt om pijn te voelen. Je hebt pijn. Daar kies je niet voor. Het is er gewoon, je voelt het. Met verdriet is het precies zo. Natuurlijk kun je verdriet net zoals pijn negeren, net doen alsof het er niet is – maar vroeg of laat breekt je dat op. En waarom zou je dat doen? Waarom zou je niet verdrietig mogen zijn wanneer er iets is gebeurd wat je in je ziel heeft geraakt?

Op deze zondag is wat mij betreft dan ook het eerste woord dat wij tot G’d komen als mensen die verdriet hebben – of mogen hebben.

Een jaar of twee geleden verbleef ik een week bij de broeders van Taizé, een plaatsje in Frankrijk. Tijdens een gesprek met een van hen stelde een broeder mij de vraag welke van de 9 zaligsprekingen op mij van toepassing was.

Ik vond het een vreemde maar originele vraag en nodig u dan ook van harte uit om thuis dit Bijbelgedeelte (Matteüs 5,1-12) nog ‘ns door te lezen en uzelf dezelfde vraag te stellen.

Hoe dit verder ook is – in die week heb ik flink op deze woorden van Jezus kunnen kauwen – ook op dat « Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. »

Ergens doet dit vers wat raar aan. Geluk en verdriet lijken elkaar eerder uit te sluiten dan dat ze samen kunnen gaan. Dat dat niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt, hebben we net gezien: verdriet en liefde lijken ook niet samen te gaan maar wie niet weet wat liefde is, heeft ook geen weet van verdriet.

Ik vermoed dan ook dat het geluk van de treurenden in deze zin moet worden verstaan: juist zij die beter weten, van méér, juist zij die er weet van hebben dat het beter kan, anders. Juist zij die weten wat liefde is, hebben oog voor liefdeloosheid. Zij lijden aan het tekort, aan het gemis. Aan het gegeven dat het leven, het leven voor zovelen zoveel beter zou kunnen zijn, wanneer de liefde zou heersen in de harten van mensen.

In deze zin zijn de treurenden gelukkig, benijdenswaardig is misschien beter vertaald omdat zij geen genoegen nemen met de situatie zoals die is, zij zich niet neerleggen bij de omstandigheden zoals ze zijn – en vanuit hun verlangen en hoop op een betere wereld voor alle mensen zich daarvoor daadwerkelijk inzetten.

Hun verdriet maakt hen gevoelig voor het verdriet van anderen – dat verdriet laat hen niet onbewogen, onverschillig maar zet hen ertoe aan om aan hun liefde handen en voeten te geven.

De zaligsprekingen van Jezus zijn geen leefregels voor de hemel maar voor het leven hier op aarde.

« Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. »

Waarschijnlijk doe ik de woorden van Jezus wat geweld aan maar ik vind het een mooi gedachte dat de treurenden getroost zullen worden door treurenden – want als er iemand is die oog heeft voor verdriet dan wel degene die zelf verdriet heeft.

En misschien bestaat er geen betere troost voor een treurende dan een mens die met jou mee treurt – die het verdriet met je deelt.

Sterker – wanneer Jezus belooft de Trooster te sturen dan zegt dat misschien ook wel dat G’d ook zelf weet wat verdriet is.

Er zit nog een andere laag in deze zaligspreking van Jezus waarmee ik vandaag ook zou willen besluiten.

Jezus zegt dat de treurenden getroost zúllen worden – hij zegt dit in de toekomstige tijd. Getroost worden is toekomstperspectief.

Dit onderstreept nogmaals dat wij droefheid en verdriet niet voortijdig op dienen te geven.

Wij mogen met een gerust hart tot G’d komen als mensen die treuren maar wij hoeven dat G’d zij dank niet doen als zij die geen hoop hebben.

Die hoop is, zo denk ik, onze troost namelijk dat ons verdriet niet voor altijd zal duren – en daarmee bedoel ik dat er niet voor altijd redenen zullen zijn die ons bedroeven dat niet voor altijd mensen zullen lijden, dat niet voor altijd de schepping en al wat leeft onder pijn zal zuchten.

Het is de hoop dat de dorre steppe zal bloeien en de dode zal leven.

Dat de dode zal horen: nu leven.

Ten einde gegaan en onder grafstenen bedolven dode, dode, sta op, het licht van de morgen daagt in het oosten. Een hand zal ons wenken een stem zal ons roepen: Ik open hemel en aarde en afgrond. En wij zullen horen en wij zullen opstaan en lachen en juichen en leven –

(Huub Oosterhuis)

En de treurenden zullen dan getroost worden –

En G’d zal alle tranen uit hun ogen wissen.

Amen.