Romeinen 12,9-21 en Lucas 3,21-22

Gemeente van Jezus Christus, vrienden van G’d,

Nog niet zo heel lang geleden heb ik u uit de doeken gedaan dat preken voor mij zoiets is als kijken naar een schilderij en waarbij het er dan volgens mij om gaat om elkaar opmerkzaam te maken op wat er allemaal te zien valt – ter verhoging van de verrassing en de verwondering.

Wel, het schilderij dat voor vandaag in de verf is gezet bestaat uit verschillende taferelen:

We zien allereerst een lied afgebeeld – het klein gloria op de liefde – dat dankzij ons gemeenschappelijk leesrooster op het doek is beland.

Verder zien we de doop van Jezus. Die gebeurtenis heeft Henny op het doek een plek gegeven.

Eerlijk gezegd weet ik nu niet helemaal zeker of Henny nu zelf ook een tafereel vormt want wij kunnen en willen vandaag niet om haar heen.

Toen ik daar nog wat verder over nadacht bedacht ik me dat zij hoe dan ook haar bril aanreikt om naar dit schilderij te kijken.

Bij de lezing uit de Brief aan de Romeinen moest ik namelijk terugdenken aan een van de eerste dingen die Henny mij geleerd heeft.

Volgens mij was ik hier nog geen week of ik kreeg van Henny een lijstje met typische Sallandse woorden. Sommige, alledaagse woorden waren door haar onderstreept: daar kon ik een goede sier mee maken en daar ben ik natuurlijk gevoelig voor.

Dus, toen ik de daaropvolgende zondag een mevrouw – ik kan me helaas niet meer herinneren wie het was – op de fiets naar de kerk zag komen, zei ik trots: “Zo, lekker op de proem’nkar naar de kerk? Zij keek mij daarop aan met een blik waaruit ik op kon maken dat dat woord niet voor verder gebruik geschikt was.

Het was volgens mij de eerste keer dat ik later in de kerkdienst, tijdens die bekende stilte, de suggestie heb gedaan of het misschien niet ‘ns tijd werd dat Henny in een van zijn andere weilanden aan de slag zou gaan. Het heeft even op zich laten wachten – maar nu is het dan toch eindelijk zo ver.

Afijn, hoe dat verder ook is mijn eerste kennismaking met Henny schoot me te binnen omdat ik me gisteren bedacht dat het gebruik en de waarde van woorden door de tijd heen verandert. Woorden die je vroeger niet in je mond durfde te nemen, lees je nu in de krant – en woorden die nu worden gebruikt om te schelden waren ooit een compliment.

Bijvoorbeeld.

Heeft u gisteren op t.v. naar dominee In ’t Hek gekeken? Ook hij laat zich met zijn voornaam aanspreken: Youp. Zijn verhaal had alles weg van een ouderwetse donderpreek: menigeen wordt genadeloos te schande gezet, bakken ellende worden over anderen uitgegoten, terwijl de verlossing en dankbaarheid als sluitpost – slechts voor enkele uitverkorenen weggelegd – nog even summier aan de orde komen. Werd vroeger menigeen in naam van God bespot en gehoond, nu mogen mensen volstrekt belachelijk worden gemaakt en tot de grond toe worden afgebrand in naam van de humor: als je erom kunt lachen, is het goed.

Allee, omdat die fiets van Henny in het dialect door mijn hoofd speelde, viel het me op dat zijn taalgebruik 50 jaar geleden zelfs ondenkbaar zou zijn geweest maar dat het nu de geaccepteerde norm is en wie zich daaraan stoort, wordt als achterlijk af geserveerd.

Evenzeer fascinerend is dat woorden als calvinistisch, gereformeerd, dogmatische en moralistisch voorheen zonder te verblikken of te verblozen gebruikt konden worden maar dat het nu besmette woorden lijken te zijn die niet uitgesproken kunnen worden zonder er een vies gezicht van te krijgen. Sterker – wanneer nu iets als dogmatische of calvinistisch wordt bestempeld dan hoeft er verder niets meer gezegd te worden. Het stempel lijkt een finaal argument te zijn waarmee een en ander in een klap van tafel geveegd kan worden.

Door Romeinen 12 als moralistisch te bestempelen zouden wij er ook in één keer klaar mee kunnen zijn.

Voor vandaag houd ik het erop dat dat niet de bedoeling kan zijn geweest.

Als ons stukje uit Romeinen wordt gelezen als moraaltheologie waarmee uiteen wordt gezet wat we moeten doen en wat we niet moeten doen – dan wordt het inderdaad een juk waaronder we moeten zwichten, een spiegel waar je alleen maar in kunt kijken om te ontdekken dat je altijd tekortschiet.

Die tekst is dan niets meer dan de voedingsbodem voor het stemmetje dat in ons hoofd het refrein blijft zingen dat het nooit genoeg is, dat je nooit genoeg doet en dat het nooit goed genoeg is. Het leidt enkel tot gevoelens van falen en minderwaardigheid.

Om die woorden als klein gloria op de liefde af te beelden zou dan slaan als een tang op een varken. Want liefde kent geen dwang. Liefde vernedert niet. Liefde kent geen angst.

Misschien sla ik de plank helemaal mis – ik nodig u van harte uit om mij dat later dan te vertellen – maar als liefde slechts als deugd wordt verstaan in de zin dat liefde iets is wat alleen maar kan worden gedaan dan is liefde misschien niets minder dan een plicht of ethiek.

Graag wil ik nu even met u kijken naar het beeld dat Lukas schetst.

De doop van Jezus wordt door alle evangelisten uit de doeken gedaan. Alleen Lukas tekent er een detail bij wat mij altijd is ontgaan. Lukas schrijft: “toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend…”.

Dat bidden van Jezus was mij nog nooit eerder opgevallen.

Bidden is een relationele daad. Bidden is praten met G’d, contact zoeken met G’d.

Als ik het wat kort mag zeggen – de tijd schrijdt tenslotte voort – de Geest komt niet plompverloren uit de hemel vallen maar maakt zichtbaar wat er al was: de relatie van liefde van God met de – deze – mens.

Al komt het zelden voor af en toe staat er in die krant iets wat het bewaren waard is.

In een interview in januari 2008 zegt Hildegard Schoffelmeer – een non en ruim de 70 gepasseerd: “En dan dat verdomde gezoek naar God waar ze het altijd over hebben. Zoeken is op zich al een rotbezigheid: ik zoek God, ik zoek een vrouw, een man. Niemand zegt ooit: ik ben gevónden, ik ben gekend, geaccepteerd, terwijl dat voor mij het ultieme van vriendschap is.”

Wat mij betreft is dit citaat de sleutel die tot verwondering over die woorden van Lukas leidt: dat G’d deze mens Jezus vindt, kent en accepteert, die mens liefheeft en intens blij met hem is.

En die goeie Paulus kan daarom met iets meer woorden zeggen: zoals God Jezus liefheeft, zo heeft God jou ook lief.

Liefde is eerst en bovenal je gevonden, gekend en geaccepteerd weten door G’d. Het is deze zekerheid, dat je je bevriend weet met God dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, je zou kunnen scheiden van de liefde van God.

De woorden die wij vandaag gelezen hebben wellen hieruit op. Ze komen als vanzelf voort uit liefde. Wanneer je die woorden daarvan losmaakt, wanneer de liefde niet de bron is waaruit je je redenen en motieven put dan wordt geloven, hopen en liefhebben niets meer en niets minder dan een dorre plicht waaruit iedere vreugde is verdwenen.

Tenslotte. Alhoewel ik het lied van Youp ‘Niemand Weet Hoe Laat Het Is’ waarin hij tegen de klippen op schreeuwt dat we moeten – dat vooral – dansen, vrijen, lachen en drinken vol vuur prachtig vind, is het te schraal, te armzalig.

In het licht van de liefde draait het leven om meer dan om het grijpen van plezier. Een leven dat van liefde en lieven weet maakt het leven tot meer dan alleen maar een feest.

Liefde heeft weet van de lach én de traan, Liefde is niet alleen blij met de blijden maar ook bedroefd met de bedroefden.

Allee, lieve gemeente, ik kom weer tot een abrupt einde:

Heb lief – en doe vandaaruit alles wat je wilt.

Amen.